'Wat vrintschap heeft sulck een kint op dese weerelt?'

Medemblik, 12 november 1672

Looft God boven al

Eerzame, welwillende, lieve en zeer beminde zwager Claas Goselinx,

Ik, uw zwager Adam Wiebousen en uw zuster Vrouwtje Goselinx, wij laten u weten, dat wij nog altesamen gezond zijn, God zij dank. [...] Verder, mijn beminde zwager Claas Goselinx, meenden wij en hopen wij stellig dat gij ook overgekomen zou zijn.

Daar verlangden wij van harte naar. En het is zo dat het schijnt dat gij ons geheel vergeten bent, ja wat zeg ik, om thuis te komen! Wij zijn u niet waardig genoeg om ons een briefje te sturen, wat een schande is en een zonde voor God en de mensen! Mijn lieve zwager Claas Goselinx, ik verzoek u toch vriendelijk gelieve toch zo veel te doen en stuur [?] ons toch aan al uw vrienden een briefje met uw vriendschap. Temeer daar uw zuster Vrouwtje Goselinx, die voor mij een lieve en waardige vrouw is, en die vanwege u groot hartzeer heeft en die in groot verdriet moet leven om uwentwille, God betere 't.

Ja dat uw zuster Geert Goselinx van hartzeer is gestorven om uwentwille omdat gij haar niet wilt kennen, daarom leeft mijn vrouw ook in ongerustigheid. En de kinderen van uw zuster, de weesjes, gij kent ze niet als verwanten. En gij behoort hun vader te zijn op deze wereld. Wij hebben Goseling thuis gehaald en de twee jongsten zijn in het weeshuis. Wat voor vriendschap heeft zo'n kind op deze wereld, dat verstoten en niet gekend word door een eigen oom, zoals u bent!

Daarom, lieve zwager, ik verzoek u verhard uw hart toch niet en houd u niet doof voor deze kinderen om ze wat te geven van uw overvloed waarmee de goede God u mee gezegend heeft, zoals ik begrepen heb van twee vrijlieden die bij u geweest zijn.

Die hebben tegen mij gezegd dat gij welvaart en geluk en zegen van de here God almachtig hebt. En dat gij nog gezond was, waarvoor wij de goede God moeten loven en danken. [...] Mijn lieve zwager, de verloren zoon zei 'ik zal opstaan en tot mijn vader gaan en zeggen: vader ik, ik heb gezondigd voor de hemel en voor u.

Ik ben niet waardig uw zoon te zijn'. Zie, zo moet men zich haasten en vernederen voor zijn God. Doet ook zo en verneder U. Zodoende zult gij wel liefde tot goede mensen krijgen. En dat gunne ons die goede God, dat gij toch eens thuis mocht komen, bij ons in alle vriendschap, zoals wij u alle vriendschap bewijzen met de brieven en vermaningen die ik u aldoor stuur. Niet dat ik iets van u kan verzwijgen, maar nog vraag ik u: kom toch eens naar huis, zodat wij elkaar weer eens zien en spreken, dat gunne ons die goede God almachtig. Dus neig uw hart tot ons en gedenk Goseling en Aaltje en Bauke toch! En ik wenste u zo veel heil als bladeren aan de bomen en zo veel zegen als waterdruppels op de stromen.

Wees hiermee de heer in genade bevolen. En honderdduizend goede nachten van ons allemaal. Van uw zuster Vrouwtje Goselinx en van de kinderen honderdduizend goede nacht, van Goseling en van Bauke en van Aaltje.

Uw dienstwillige zwager, Adam Wiebousen

Hertaling: Roelof van Gelder