Wachten op woorden

Onderzoek toonde aan dat hersenen werkwoorden anders hanteren dan gewone woorden. Nu is daarvoor een nieuwe verklaring geopperd.

Berthold van Maris

Werkwoorden worden door de hersenen anders verwerkt dan zelfstandige naamwoorden. Als iemand binnen een zin een zelfstandig naamwoord hoort of leest, wordt dat woord in het ‘mentale lexicon’ kort geactiveerd: enige honderden milliseconden. Werkwoorden blijken veel langer geactiveerd te worden, vaak langer dan 1000 milliseconden, zo blijkt uit experimenten die gedaan werden door psychologe Dieuwke de Goede. Zij promoveerde hierop onlangs bij de universiteit van Groningen.

Hoelang een woord in de hersenen geactiveerd blijft, kan alleen indirect worden aangetoond, door middel van ‘priming’. Priming is – in dit verband – het verschijnsel dat iemand een woord sneller herkent wanneer het wordt voorafgegaan door een verwant woord. Iemand heeft bijvoorbeeld net het woordje ‘zee’ gehoord en krijgt daarna een ander woord te zien, met de vraag: is dit een bestaand Nederlands woord? De reactie op ‘strand’ is dan sneller dan die op bijvoorbeeld ‘struik’ – omdat ‘zee’ en ‘strand’ gerelateerd zijn aan elkaar, en ‘zee’ en ‘struik’ niet. Als je ‘zee’ hoort, wordt in je hoofd niet alleen ‘zee’ geactiveerd, maar ook direct daaraan gerelateerde woorden als ‘strand’ – zij het in zeer lichte mate. Het lexicon is namelijk een netwerk, zo wil de theorie, en in dat netwerk ligt ‘strand’ heel dicht bij ‘zee’.

Dergelijke priming-effecten werden door Dieuwke de Goede gebruikt om de activeringsduur van werkwoorden te meten. Haar experiment verliep als volgt. De proefpersonen hadden een koptelefoon op en zaten achter een beeldscherm. Ze luisterden naar zinnen en op bepaalde, goed gekozen momenten verscheen er op het beeldscherm opeens een woord waarvan ze zo snel mogelijk, door op de juiste knop te drukken, moesten aangeven of het een bestaand Nederlands woord was of niet. Een voorbeeld van zo’n zin (met daarin vier meetpunten):

‘De beschaafde mannen imiteren (1) regelmatig hun hysterisch (2) kijvende vrouwen (3), want (4) zo kunnen ze uiting geven aan hun frustratie zonder gewelddadig te worden.’

nadoen

Op de punten 1 (meteen na het werkwoord), 2 (700 milliseconden na het werkwoord) en 3 (1500 milliseconden na het werkwoord) leverde het beeldscherm-woord ‘nadoen’ een beduidend snellere reactie op dan ‘filmen’. Er was op die punten dus sprake van priming: ‘nadoen’ werd sneller verwerkt, omdat het eraan gerelateerde ‘imiteren’ op dat moment blijkbaar nog geactiveerd was. Maar op punt 4 was dit priming-effect verdwenen: de reactie op ‘nadoen’ was daar niet sneller dan die op ‘filmen’. Hieruit kan men concluderen dat ‘imiteren’ geactiveerd blijft tot punt 3, en dat de activering daarna snel wegebt.

Een mogelijke verklaring hiervoor zou kunnen zijn: het werkwoord is de kern van een ‘argumentstructuur’, met altijd een onderwerp, vaak een lijdend voorwerp, soms een meewerkend voorwerp (’iemand iets geven’) en soms een bijvoeglijk naamwoord (’iemand gelukkig maken’). Het ligt voor de hand te veronderstellen dat het werkwoord geactiveerd blijft – ‘wacht’ als het ware – totdat de argumentstructuur gevuld is. Dat dit echter niet de verklaring kan zijn, bleek uit testzinnen als:

‘De hoge politiefunctionarissen ontbijten (1) in de rustige inter(2)city naar Den Haag, terwijl ze alle stukken nog eens doornemen.’

Het werkwoord ‘ontbijten’ heeft alleen maar een onderwerp nodig, verder niks, dus de argumentstructuur is op punt 1 al helemaal compleet. Toch blijkt dat het werkwoord op punt 2 (1000 milliseconden later) nog altijd geactiveerd is.

De Goede komt daarom met een andere mogelijke verklaring. Werkwoorden kunnen vaak in allerlei verschillende betekenissen en betekenisnuances gebruikt worden. De specifieke betekenis wordt pas gaandeweg de zin helemaal duidelijk. Een beginnend zinnetje als ‘Eva kreeg...’ kan uitmonden in zulke verschillende zinnen als ‘Eva kreeg voor haar verjaardag een voetbal’, ‘Eva kreeg opeens last van zenuwen’ of ‘Eva kreeg het Spaans benauwd’. In elk van deze zinnen is de betekenis van ‘krijgen’ (net even) anders. De interpretatie van het werkwoord wordt dus gaandeweg de zin verfijnd. Het is een wisselwerking tussen werkwoord en zin: het werkwoord is essentieel voor het bepalen van de betekenis van de zin, en andersom is de zin essentieel voor het bepalen van de precieze betekenis van het werkwoord. Dit veronderstelt dat de betekenis van het werkwoord aan het begin ‘onscherp’ is, of zoals de psychologen dan zeggen: ondergespecificeerd.

Dit soort onderspecificatie is ook bekend uit ander psychologisch onderzoek, met name uit experimentjes met ‘verbale illusies’. Als je Engelssprekenden vraagt ‘How many animals of each kind did Moses take on the ark?’, antwoordt tachtig procent: ‘Two’. Dat er ‘Moses’ staat in plaats van ‘Noach’, valt ze niet op. Maar had er ‘Bush’ gestaan, dan was het ze wel opgevallen. De interpretatie van ‘Moses’ blijft in deze zin dus ondergespecificeerd.