Superieure liefdadigheid

Cas van Kleef (Spunk) verbetert de wereld voor 50 euro per dag

Cairo, Egypte. God, wat een toeristische tyfusbende is het hier. Ik plof neer in een van de restaurantjes naast Khan El-Khalili, de beroemdste markt van Cairo. Ik had gehoopt op schreeuwende koopmannen en geurige kruiden en eeuwenoude gereedschappen waarvan ik niet weet waarvoor ze dienen. In plaats daarvan heb ik zoveel kamelenknuffels en piramides van plastic gezien dat ik er vannacht zeker nachtmerries van zal krijgen. Maar het allerkutste waren die gladde verkopers: „Look for free mistah!” Ik vind het niet erg als mensen mijn hand schudden, maar als ze hem dan niet meer loslaten voordat ik in hun winkeltje heb gekeken, word ik lichtelijk boos. De ober van het terras waar ik me nu bevind, is ook zo’n irritante gast. Hij plaatst zichzelf steeds pontificaal voor een groep toeristen, zodat ze bijna geen andere keus hebben dan bij hem een drankje te komen drinken.

Een rimpelig Egyptisch mannetje probeert een paar wandelstokken te slijten aan een stel mannen. De irritante ober loopt naar ’m toe en gebiedt dat hij moet gaan zitten. Even later komt hij terug met een broodje falafel en een kopje thee. Het rimpelige mannetje gaat lekker zitten peuzelen, en loopt na een paar minuten weer weg. Zonder te betalen. Ik vraag aan de ober waarom hij dat mannetje eten gaf. „Hij is oud, en moet nog steeds werken.” „En gaf je hem daarom te eten?” „Ja, hij was vast moe.” Ik kan niet geloven dat mijn irritante ober een genereuze falafelgever is. De gladjakker heeft dus stiekem een goed hart. Ik vertel hem dat Nederlanders dat nooit zouden doen. Hij lijkt niet verrast, maar lacht en spreidt zijn armen wijd uit: „Thies ies ezjyptian!”

Eerlijk is eerlijk, mijn beeld van Egyptenaren was niet bijster positief. En misschien een beetje absurd. Ik dacht dat hier alleen maar machomannen en onderdrukte vrouwen woonden. Maar als elke Egyptenaar zomaar broodjes falafel aan oude mannetjes uitdeelt, wil ik maar al te graag vrienden met ze zijn. Ik moet natuurlijk wel even uitzoeken of het klopt wat de man zegt. Aangezien mijn sociale kring nog niet echt groot is in Egypte (hij bestaat uit ongeveer nul mensen) besluit ik lukraak mensen aan te klampen op straat.

Een jongen met een pluizig snorretje is heel duidelijk over deze kwestie: „Het is de superieure Egyptische cultuur.” Oké. En waarin uit zich dat dan? „Elke Egyptenaar die het kan betalen geeft geld aan het goede doel. Vaak aan een ziekenhuis of weeshuis, omdat de overheid daar niks voor heeft geregeld. Iedereen helpt elkaar hier. Zit je in de problemen, dan is er altijd wel een buurman die het op kan lossen. Het is normaal om iets voor een ander te doen.” Aha. Er bestaat dus een enorm sociaal vangnet, waarin iedereen elkaar helpt. Zou Egypte stiekem een land kunnen zijn van onbaatzuchtige weldoeners, wat niemand ziet omdat alleen die mannetjes opvallen die geld uit je zak proberen te kloppen?

Onderweg ga ik nog even door met mensen ondervragen. Waar komt die superieure liefdadigheidscultuur vandaan? En dan krijg ik een heel ander verhaal te horen. De achterliggende reden blijkt de islam blijkt te zijn. Blijkbaar staat er ergens in de Koran dat als je goed doet, dat vanzelf ‘bij je terugkomt’. Pff, dat is een heel wat anders dan de wereld helpen omdat je het zo goed voor hebt met je medemens. De irritante ober gaf het oude mannetje alleen maar een broodje falafel omdat hij denkt dat hij dat in de hemel bergen falafel op hem liggen te wachten. Nogal egoïstisch motief, niet?

Ik plof neer op mijn bed (ja, ik plof veel vandaag), en denk na over mijn reis. Waarom probeer ik de wereld eigenlijk te verbeteren? Wat is mijn reden? Nou, dat is heel makkelijk; ik word blij van vooruitgang en gelukkige mensen. Hm. Dus ik verbeter de wereld omdat ik er zelf blij van word. Is dat ook niet enorm egoïstisch? Je zou zeggen van niet, omdat andere mensen geholpen worden door mijn wereldverbeterpraktijken. Dus als andere mensen ervan profiteren kan het onmogelijk egoïstisch zijn. Maar ik weet zeker dat ik niet op deze reis was gegaan als ik blije mensen stom had gevonden. Uiteindelijk ben ik geen haar beter dan die Egyptenaren die de wereld verbeteren omdat ze denken dat ‘het bij hen terugkomt’. Ik verbeter de wereld omdat ik het leuk vind. En ik vraag me af of daar wat mis mee is.