Spartaans spel in ‘De pelikaan’

Toneel: De pelikaan van August Strindberg, door Het Zuidelijk Toneel. Gezien: 5 april Plaza Futura, Eindhoven. Tournee t/m 31 mei. Info: 040-2333633.

De pelikaan (1907) van Strindberg is een van zijn vier kamerspelen. Net als kamermuziek hebben ze, volgens de schrijver zelf, een intieme vorm nodig, een kleine bezetting, een beperkte thematiek en een eenvoudige uitvoering. Dat klinkt heel bescheiden. Maar wie het stuk leest, schrikt van de emoties, het vette drama, de heftigheid.

Een moeder besteelt haar kinderen; ze laat hen kou lijden en geeft hen altijd te weinig te eten. De kersverse man van haar dochter pikt ze in. Ze is schuldig aan de dood van haar echtgenoot. Haar kinderen weten maar één oplossing: de bliksemse boel afbranden en in de rook ten onder gaan.

Er is heel wat voor nodig om zo’n draak als beschaafde kamermuziek te laten klinken. Regisseur Olivier Provily van Het Zuidelijk Toneel zet een pianist en celliste in, die samen een trage sonate spelen. Dat zorgt voor een plechtige sfeer. En Strindbergs bijna wufte salon is teruggebracht tot een Spartaanse wachtkamer, waarin men weinig beweegt. Stil zitten de acteurs op de houten banken, of op de al even ongemakkelijke stoeltjes in een achterliggende ruimte, bedoeld voor wie niet aan de beurt is. Wie het woord voert, doet dat met zachte stem. Toonloos, en bijna zonder een spier te vertrekken.

José Kuijpers als de moeder beheerst die stijl uitstekend. Haar fluwelen stem maakt haar leugens alleen maar erger: dat zo’n mooie vrouw zo lelijk is van binnen komt aan als een klap. Achter de milde mimiek vinden stuiptrekkingen plaats en wrede gedachten, door Kuijpers subtiel gedoseerd. Over minder verfijning beschikken de jongeren. Marcel Osterop als de zoon speelt weliswaar goed piano, maar hij acteert als een matig verstaanbaar watje. Jan-Paul Buijs is een nogal non-descripte schoonzoon en Annelien van Binsbergen past Provily’s minimalisme te rigide toe: met de opwinding van iemand die het telefoonboek opleest zegt zij: „Ik wil dood.”

Je zou vergoelijkend kunnen zeggen dat deze personages niet echt tot leven komen omdat ze ‘slaapwandelen’. Geen woord komt in Strindbergs tekst vaker voor dan dat en hij bedoelt dat ze de leugens nog niet hebben ontmaskerd. Maar ook als de zoon en de dochter uit de slaap der onwetendheid ontwaken, blijven zij vlak spelen. Met als enige uitzondering de mooie slotscène.

Daarin houden broer en zus elkaar teder vast terwijl het vuur oprukt. Ze zijn in extase. Ongeremd spelen Osterop en Van Binsbergen die emotie uit. Een late verlossing – zowel voor de personages als voor het publiek.