Roem zoekt naam

Eind 1908, op het hoogtepunt van haar carrière als oriëntaalse danseres in Parijs, diende Margaretha Geertruida Zelle, alias Mata Hari (1876-1917), een verzoek in tot naamswijziging bij de Nederlandse koningin. De belichaming van de belle époque, ter dood gebracht voor spionage, wilde een dubbele naam.

Rechtsboven staat een blauw stempel: ‘Ingekomen Kabinet der Koningin’ per datum: ‘14 DEC. 1908, no: 2’. Maar het oog wordt dadelijk getrokken naar de handtekening in de rechterbenedenhoek: M.G. Zelle. Een ferme onderstreping benadrukt de achternaam die toebehoort aan de beroemdste Nederlandse vrouw ter wereld. Margaretha Geertruida Zelle.

Tijdens de belle époque, waarvan ze als Mata Hari de belichaming werd, moet ze vele duizenden handtekeningen hebben gezet. Onder brieven en kaarten, op rekeningen en contracten en schuin over haar beeltenis in programmaboekjes of op fotogravures. Telkens liet ze de op- en neerhalen zwieren als de sluiers die ze afwierp tijdens haar oriëntaalse dansrecitals.

Zo ook onder het verzoekschrift Aan Hare Majesteit Koningin der Nederlanden, dat op 12 december in Parijs werd opgemaakt. De naam Mata Hari ontbreekt hierin. De naam Zelle komt acht keer voor en werkt toe naar een overtreffende trap, want de adressante wenste haar naam te veranderen „zoodat zij zich voortaan zal kunnen noemen en genaamd zijn: Margaretha Geertruida van Zelle van Ahlden.”

Het verzoekschrift aan koningin Wilhelmina werd bij toeval ontdekt. Historicus Jos Smeets noemt het een klassieke double take: tijdens het doorploegen van dozen met archiefmappen van het ministerie van Justitie in het Nationaal Archief in Den Haag drong het tot hem door dat hij zojuist een bekende naam had gezien en hij bladerde terug. Voor zijn extensieve onderzoek naar de ontwikkeling van de Rijkspolitie (deel twee van de onlangs verschenen vierdelige serie De Geschiedenis van de Nederlandse Politie) kwam de vondst niet van pas. Nieuwsgierigheid won het en Smeets vond bijbehorende documenten, alle in het archief van Justitie. Het bescheiden maar opmerkelijke dossier krijgt een tijdelijke presentatie in de Mata Hari-zaal van het Fries Museum in haar geboortestad Leeuwarden.

Waarom wilde ze haar naam veranderen? Mata Hari had Parijs veroverd en was een graag geziene societyfiguur. Gehuld in een nauwsluitend fluwelen gewaad met bijpassende modieuze hoed en mof verscheen ze op de rennen van Longchamps. Ingetogen glimlachend liet ze zich fotograferen, terwijl passanten haar gadeslaan, knipperend tegen de zon in. In haar plakboek dateerde ze de foto op 4 oktober 1908. Ze plakte ook een knipsel in waarin de „famous Hindoo dancer” gespot was in een sensationeel ensemble afgezet met chinchillabont, in gezelschap van de Rothschilds.

Ze was tweeëndertig, stond op het toppunt van haar roem, verdiende geld als water, had een keur aan welgestelde en hooggeplaatste amants en ze smaakte zelfs het genoegen dat in de Parijse variététheaters navolgsters optraden, die ze met onverholen dédain kon hekelen om hun onkunde over de oriëntaalse religieuze danspraktijk. Onlangs had ze, op een liefdadigheidsparty van de grote acteur Coquelin aîné, de uiterst giftige plant Ketjoeboeng verbeeld: van bloesem tot dood.

Met juist die suggestie van intellectuele en kunstzinnige diepgang had de onweerstaanbare, bijna-naaktdanseres Mata Hari in de roos geschoten bij haar overweldigende debuut in de Parijse salons, begin 1905. De Franse schrijfster Colette mocht gereserveerd over haar oordelen, intussen werd ze in één adem genoemd met vrouwen die er toe deden: van de Amerikaanse dansvernieuwsters Loïe Fuller en Isadora Duncan tot de grandes horizontales, maîtresses van Europese vorsten, La belle Otéro en Cléo de Mérode, die door Marcel Proust zouden worden vereeuwigd.

Bij sterrendom hoorde een navenante identiteit, al even omfloerst als haar mysterieuze alter ego. Ze noemde zich Lady Mac Leod. Marguerite voor intimi, Gresha voor de kring daaromheen. In de vele interviews die ze toestond, strooide ze ruimhartig met details over haar afkomst en geen journalist kon ontevreden zijn: ieder kreeg zijn eigen exclusieve verhaal. Zo ook de flamboyante Tom Schilperoort, correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, die eind mei 1905 de primeur bracht voor Nederland. In haar ruime kamer in een Engels pension bij de Champs Elysées vol koffers, dozen, boeken, papieren en veel dure boeketten raakt hij onder de indruk van de eenvoud van de mooie, belezen jonge vrouw die sinds kort „hoog mondain, hoog politiek Parijs zelfs” beheerst. „Ja, ze is Hollandsche, ze is mevrouw Mac Leod; en ze is oostersch tegelijk, ze is in Indië geboren; ja, ze kent ook de Ganges-oevers, Benares, ze heeft nog hindoesch bloed in de aderen ook.” Complimenten wuift ze met een lachje weg en slechts schoorvoetend geeft ze toe hoeveel ze weet „van de zeden, van de kunst dier geheimzinnige landen”.

De dochter van de Leeuwardense petten- en hoedenverkoper nam het niet zo nauw met de feiten. Officieel was ze toen nog getrouwd met Rudolph Mac Leod, officier uit het Nederlandsch Oost-Indische Leger voor wie ze als achttienjarige was gevallen. Maar ook na de echtscheiding viel de adellijk aandoende naam te prefereren boven Zelle. Geld noch aanzien had haar eigen familie. Haar broer Cornelis was bediende in een Amsterdamse sigarenzaak, Arie machinist, Johan, de oudste, werkte zich in Rotterdam op bij een handelskantoor. Hun vader scharrelde met een agentuur Algiersche wijnen. Ze konden niet bogen op voorouders van belang. Of toch wel? De beschikking zou het uitwijzen.

Iemand heeft met blauw potlood een paar woorden in het verzoekschrift onderstreept en in de kantlijn een vinkje gezet. De Amsterdamse officier van Justitie, mr. Cornelis Baart de la Faille, ging inlichtingen inwinnen in opdracht van zijn procureur-generaal die daarom verzocht was door het ministerie van Justitie. De gebruikelijke procedure bij een dergelijk verzoekschrift aan het staatshoofd.

Als Amsterdamse domicilie gaf Margaretha het adres op van haar vader Adam Zelle. Da Costakade 65, een nieuwbouwwoning dichtbij de De Clercqstraat. Bij de afwikkeling van de echtscheiding en de voogdijzaak om haar dochtertje, stond ze hier ingeschreven, al woonde ze er niet.

De armlastige Adam Zelle had de plotselinge roem van zijn dochter gekapitaliseerd. De levensgeschiedenis van mijner dochter en mijne grieven tegen hare vroegeren echtgenoot, geschreven door een ghostwriter, stond vol curieuze hele en vooral halve waarheden. Bovendien liet hij foto’s van haar exposeren bij De Nieuwe Muziekhandel in de Leidsestraat en bij een fotograaf op het Koningsplein.

Politiehistoricus Smeets meent desgevraagd dat de officier beslist niet zelf op onderzoek is uitgegaan, maar een of meer rechercheurs naar het adres heeft gestuurd. Geconstateerd werd dat adressante niet gehoord kon worden, „daar deze te Parys verblyft en hoogst zelden, gelyk my door haren vader werd medegedeeld, in Nederland komt”.

Misschien had de officier haast, het was de dag voor Kerst – in elk geval comprimeerde hij enige biografische gegevens hem door vader Zelle verstrekt: de eis tot echtscheiding van Rudolph Mac Leod, toegewezen door gepleegd overspel van de adressante, en haar beroep: danseres te Parijs.

Als argumentatie voor het willen voeren van de dubbele naam kreeg hij te horen „dat haar betovergrootvader, die met den Hertog van Brunswyk in de Nederlanden zoude zyn gekomen ‘von Zelle’ heette en dat daarom adressante wenscht zich ‘van Zelle’ te noemen, dat ‘Ahlden’ is de naam van een Duitsch geslacht, dat met de ‘von Zelle’s’ verwant zoude zyn, terwyl in Nederland – naar comparant my zeide – geene leden uit het geslacht ‘Ahlden’ woonachtig zouden zyn”.

Het waarheidsgehalte van de eerste claim, de betovergrootvader, valt te staven. Ruim dertig jaar geleden ontdekte Mata Hari-vorser H.W. Keikes, dat Adam Zelle in december 1907 bij de gemeentesecretaris in Leeuwarden informatie had ingewonnen over de afstamming en nakomelingen van een Duitse textielkoopman. De reden wordt nu pas duidelijk. Het ging niet om hemzelf, maar om zijn dochter. Dat zijn ex-schoonzoon in november 1907 was hertrouwd, kan een aansporing zijn geweest.

De schamele uitkomst blijft dezelfde. Herman Otto von Zelle was wever. Een van zijn acht zonen, Adam, was kastenmaker en diens zoon Cornelis had een firma in petten. Margaretha’s vader noemde zich A. Zelle Cz. Het stond op het briefpapier en op de etalages en boven de deur van de winkel op de Kelders, waar Margaretha op 7 augustus 1876 werd geboren. Er zit nu een Knip-Inn kapsalon, genaamd, hoe kan het ook anders: Hari Haarmode.

Op reikafstand staat sinds haar honderdste geboortejaar een schaars gekostumeerde bronzen beeltenis. Ze wordt niet altijd met alle egards omgeven: soms dumpen winkeliers van de Kelders er hun afval. Zo kan het voorkomen dat Mata Hari’s bevallige danspose oprijst uit een berg vuilniszakken, verpakkingsmaterialen en schuimrubberen matrassen.

Na van Adam Zelle te hebben vernomen dat deze het verzoek van zijn dochter goedkeurde, rondde de officier zijn onderzoek af. Enig redelijk belang was hem niet gebleken en hij gaf de procureur-generaal dan ook „een ongunstig advies in overweging”.

Margaretha liet zich niet uit het veld slaan door de afwijzing. Op zaterdag 13 februari 1909, een week na een succesvol optreden in Théâtre Femina op een liefdadigheidsvoorstelling voor een ziekenhuis in Sofia, waagde ze het opnieuw. Ze hield het kort, al had ze er door haar ruime hand van schrijven wel een heel vel briefpapier voor nodig. Haar adres, Boulevard Pereire 55 bis, niet ver van de Arc de Triomphe, frommelde ze in een hoekje. Ieder ander had de brief netjes overgeschreven.

Deze keer wenste ze haar geslachtsnaam Zelle „veranderd te zien in dien van ‘van Slooten Zelle’, waarvoor goede gronden aanwezig zijn”. Welke dit waren, stond er niet bij.

Van Slooten Zelle. Ook deze naam komt in de stamboom voor. Er was een oudoom, een broer van Adams grootvader, genaamd: Jane van Slooten Zelle. Maar de toevoeging ‘van Slooten’ heeft het karakter van een tweede voornaam. Tweemaal getrouwd was hij en kinderloos overleden in 1897. Van beroep: koperslager en kachelmaker. Geen ambachten om over naar huis, laat staan naar de koningin te schrijven.

Getuige de vrij volledig bewaard gebleven afwikkeling is dit tweede verzoekschrift in betrekkelijk korte tijd over dezelfde schijven heen en weer gegaan. Opnieuw plaatste het kabinet der koningin een blauw stempel (15 FEB. 1909, no 8) en opnieuw ging het via het ministerie naar Amsterdam, alwaar de procureur-generaal, baron Baud, het benodigde onderzoek liet uitvoeren door de officier van justitie, Baart de la Faille. Beiden zullen de wenkbrauwen hebben opgetrokken.

Weer werd de vader op de Prinsengracht ontboden. Een subtiel gevoel voor humor kan de officier niet worden ontzegd. Hij vatte het gesprek met Adam Zelle nog diezelfde zaterdag 27 februari kort en zakelijk samen, maar heeft toch kans gezien in zijn weergave de tijdmachine voor de lezer van nu open te laten staan:

„Gevraagd welke motieven requestrante hebben geleid tot het indienen van haar verzoek, verklaarde de Heer Zelle my, dat zy den naam ‘van Slooten Zelle’ wenscht te voeren om ‘beter gewapend te zyn tegen de intrigues van de familie Mac Leod’. Toen ik daarna te kennen gaf, dat my dit motief niet volkomen duidelyk was, deelde de Heer Zelle my mede zelf niet in te zien waarom zyne dochter dan beter tegen ‘die intrigues beveiligd zoude zyn’ ‘doch’ voegde hy daaraan toe, ‘dit is nu eenmaal haar idée’.”

Je ziet hem uit het raam van de kamer van de officier naar de Prinsengracht staren, een schaduw slechts van de eerzuchtige zakenman die lang geleden over de Kelders uitkeek, trots op zijn bijnaam ‘de Baron’, minzaam groetend als er een goede bekende langskwam. Een jaar later was hij dood. Zijn dochter stond niet vermeld op de overlijdensadvertentie.

De ‘goede gronden’ van Margaretha werden afgewezen. Procureur-generaal Baud besteedde er maandag 1 maart aan de minister weinig woorden aan. Zich verenigend met de bevindingen van de officier, sloot hij diens ambtsbericht bij. Op 6 maart ging het definitieve besluit bij Justitie de deur uit. Er waren „geen voldoende termen aanwezig [-] tot inwilliging van het verzoek”. In drie weken was de zaak bekeken.

Het ligt niet voor de hand dat de bevindingen van het Amsterdamse parket en de beslissing van de minister nog doorgenomen zijn met het kabinet der Koningin, waar beide verzoeken waren binnengekomen. Al kan het zijn dat er bij gelegenheid nog eens over is gesproken.

De naam Zelle was bekend bij de directeur, de Friese jonkheer P.J. Vegelin van Claerbergen. Sterker nog, Margaretha’s vader en hij hadden geposeerd voor een gewichtige groepsfoto ter gelegenheid van het bezoek aan Leeuwarden van koning Willem III in mei 1873. De erewacht werd gevormd door de fine fleur van de provincie, adel en patriciaat, allen met klinkende dubbele namen, op één na. De hoeden- en pettenverkoper Adam Zelle, toen nog financieel in goeden doen, had vooral om zijn imposante postuur de rol van vaandeldrager gekregen. De glimmende hoge zijde ligt nonchalant voor zijn voeten, rechts achter hem staat de vijf jaar jongere Vegelin, die binnen geen tijd particulier secretaris van de koning werd.

Adam Zelle werd gedoogd, zolang het duurde. Al zag hij het indertijd zelf niet zo.

Ze leek op haar vader. Lady Mac Leod staat er op de nota van haar vaste lingerieadres Berthe Raulin in de rue Ménars, later dat jaar. De nota van bijna drieduizend oude francs werd met een cheque voldaan, zo te zien door een van haar minnaars.

Ze bleef de naam van haar ex-man dragen. Al gaf ze er wel haar eigen draai aan: in de eerste jaren van de Grote Oorlog, toen ze in Den Haag resideerde, liet ze Vrouwe Margaretha Zelle-Mac Leod op haar visitekaartje drukken. Een kroontje erboven.

H 21 is de codenaam waaronder ze bij de Franse geheime dienst bekend stond. Exact op de dag af acht jaar na haar tweede brief aan de koningin werd ze gearresteerd op verdenking van spionage. Gedurende acht maanden hechtenis in Saint Lazare schreef Margaretha talloze brieven, de meeste aan haar advocaat en aan de rechter van instructie kapitein Pierre Bouchardon, die haar verhoorde ter voorbereiding van het proces. Ze schreef, omdat haar leven ervan afhing. Eerst in de veronderstelling dat er sprake was van een misverstand. Gaandeweg, murw en ziek van de eenzame opsluiting, ter verdediging van haar handelen. Het handschrift vloeide nog altijd ruim over de vellen papier. Ze ondertekende met Mata Hari of met M.G. Zelle Mac Leod. Soms met beide.

Op 5 juni 1917 gaf ze een verklaring af, die op een bekentenis lijkt, maar dan van een artieste. „Mata Hari et Mme Zelle Mac Leod sont deux femmes toutes différentes. Wat Mata Hari – de danseres – zich kan veroorloven, is aan mevrouw Zelle Mac Leod beslist niet geoorloofd. Wat de een meemaakt, overkomt de ander niet. Zij die zich tot de ene richten, doen dat niet tot de andere. De levenswijzen van Mata Hari en Mevr. Zelle zijn volstrekt verschillend.” En ze vervolgde met een uitvoerige uitleg over de perikelen van het leven als Mata Hari, die geleefd wórdt en zich, hoe kan het anders, moet laten onderhouden.

„C’est la vie d’une, de toutes les femmes de théâtre. Ce sont des choses qu’on ne dit pas.” Mevrouw Mac Leod mocht daar niet het slachtoffer van worden. Dat er sommen geld mee gemoeid zijn geweest, die abusievelijk zijn aangezien voor betaling van de Duitse geheime dienst, kan haar onmogelijk verweten worden, aldus de uitleg van, dit keer, Mata Hari. Het gewraakte bedrag was immers niets anders dan restitutie voor verloren geraakte bontmantels. Nooit had zij spionagedaden gepleegd tegen de Franse staat. „Jamais. Jamais. Laat mij vrij uit Saint Lazare”, luidde de smeekbede, die ze tot op het laatst herhaalde.

Er werd geen gehoor aan gegeven. In de vroege ochtend van 15 oktober 1917, kort voor haar terechtstelling zou ze, als laatste verzoek, op de binnenplaats van de gevangenis drie brieven hebben geschreven.

Margaretha Zelle wilde haar naam verfraaien, passend bij de status die zij in gedachten had. Applaus en adoratie voor haar creatie waren haar niet voldoende. Ze meende toe te kunnen treden tot de betere kringen.

Er klinkt spot door in de notitie van referendaris mr. Van Royen op het ministeriële ambtsbesluit d.d. 2 maart 1909. Of lijkt dat alleen maar zo, bijna een eeuw na dato: „Bedrieg ik mij niet dan is de kunstnaam van verzoekster Mata Hari.”

De namen van de mannen die haar omringden en onderhielden en de hoge heren die over haar oordeelden en haar veroordeelden zijn vergeten. Mata Hari niet.

Het Fries Museum in Leeuwarden toont in de Mata Hari-zaal een speciale expositie rond het dossier bruiklenen uit het Nationaal Archief.