Polen en hun kerk moeten zich schamen

Het probleem van Polen is niet de onzekerheid na zijn aansluiting bij de EU. Het grootste probleem is dat het land blijft denken de ‘Christus der naties’ te zijn en dus lijdt.

Wil Boesten

Schrijver en vertaler. In zijn roman ‘Spiltijd’ spelen de gebeurtenissen rond de ‘antizionistische’ campagnes in 1968 in Polen een belangrijke rol.

Adam Michnik heeft gelijk: Polen is zijn droom aan het verknoeien (Opinie & Debat, 31 maart). Het land is compleet de weg kwijt, niet alleen verknoeit het zijn droom, het maakt zichzelf in hoog tempo belache-lijk met het potsierlijke duo Kaczynski aan de macht – innig verbonden overigens met de kerk als hoedster van de nationale ziel en vrijheid. Een kerk die zich ogenschijnlijk in alle bochten wringt ten behoeve van het land, maar uiteindelijk slechts het doel heeft haar eigen invloed te vergroten. Er gebeuren dingen waarover je je kapot zou lachen als het niet treurig was.

Het fundamentele probleem van Polen is niet de onzekerheid na zijn aansluiting bij de EU, en ook niet zijn met zelfmedelijden, vrijheidspathetiek en mythes beladen nationalisme; evenmin is het de groteske overschatting van zijn positie in de wereld, vroeger en nu.

Nee, het grootste probleem van het land lijkt dat onuitroeibare gevoel te zijn dat het land ‘de Christus der naties’ is, dat het moet lijden voor de wereld – dat het uitverkoren is. Je kunt dat zien als een wat lachwekkende variant op het voorbije Duitse adagium ‘am deutschen Wesen soll die Welt genesen’. Maar waar Duitsland een ‘normaal’ land is geworden, doet Polen vooral manhaftige pogingen om zijn uitzonderlijkheid te benadrukken en blijft het met een onstuitbare drang het slachtoffer (van Rusland, van Duitsland, van het communisme, van de EU – en nu zelfs van de vrijheid?), de onbegrepene en onderdrukte uithangen. Met alle gevolgen en kolder van dien (antisemitisme, religieuze waan, totalitaire tendensen, en niet te vergeten: honende blikken vanuit de partnerlanden).

En de macht daarachter is de Poolse kerk, die al eeuwen die Poolse ziel kneedt en vormt. Juist dat lijkt Adam Michnik zwaar te onderschatten, want net als in vroegere stukken (in bijvoorbeeld Uit de belegerde stad (Amsterdam, 2001) blijft de indruk ook nu weer bestaan dat Michnik bij alle kritiek Polen wil vergoelijken en de ergste uitwassen met de mantel der liefde wil bedekken. In zijn essays na de val van de Muur gloorde hoop. Immers, met het verdwijnen van het communisme zou de ware Poolse aard weer een kans krijgen – en die aard was volgens Michnik niet antisemitisch, niet ultranationaal, niet xenofoob – dat kwam allemaal door de politiek-historische context. Als de omstandigheden eenmaal anders waren…echte vrijheid dan... Nou helaas.

Misschien was het optimisme van de geassimileerde jood dat hij het niet meer wilde zien, of is het de angst van de gedoogde die vreest dat als hij het compromis niet zoekt, er klappen gaan vallen en dat niet hij de uitdelende partij zal zijn?

Bezetting en onafhankelijkheid, communisme, kapitalisme of de EU: de onvrede kanaliseert zich via dezelfde patronen en steeds weer duikt de hoedster van de Poolse ziel prominent op. Steeds weer is het de kerk die de mythe van de natie voedt en de schuldigen weet aan te wijzen.

Een land waar een groep parlementariërs voorstelt Jezus tot koning van het land te kronen, verdient het te worden uitgelachen door de intellectuele bovenlaag; een land waar de ene bisschop nadat een collega het veld heeft moeten ruimen wegens – vermeende – collaboratie met de communisten, doodleuk kan constateren: het zijn allemaal joodse zwartmakerijen en Radio Maria door een Duitse paus moet worden vermaand vanwege het antisemitische karakter – dat land zou even stil moeten worden; er zou schaamte moeten zijn. Niets van dat alles.

Was het geen Pools adagium dat elk land de regering krijgt die het verdient?