Pieter Bruegel en zijn in de akkers verborgen schatten

In het achtste deel van haar Heldenserie breekt Maria Stahlie een lans voor de schilder Pieter Bruegel.

'Iedereen kan tekenen', zei op de middelbare school mijn leraar tekenen. 'Erst wägen, dann wagen', dat zei hij ook altijd. Hij was in Duitsland geboren en getogen. Ik woog, waagde en hij moest toegeven dat er tenminste één uitzondering was op zijn natuurwet.

Ik kreeg geregeld een vervangende opdracht. Een van de vervangende opdrachten hield in dat ik een zo uitputtend mogelijke beschrijving moest geven van De Spreekwoorden van Pieter Bruegel, het stampvolle schilderij dat geplakt op een groot stuk karton al sinds mensenheugenis in het tekenlokaal hing. 'Man kann sich nicht satt sehen', verzekerde de tekenleraar mij, 'aan Pieter Bruegel.' Ik keek en ik keek, en wat ik zag was een schouwspel.

Het was aan het einde van mijn studie Nederlands dat ik definitief voor de bijl ging voor het genie van Pieter Bruegel, en opnieuw speelden een leraar en de Duitse taal een geestdrift-opwekkende rol. Een docent kunstgeschiedenis (bijvak) liet ons getergd een placemat uit een pizzeria zien waarop De Boerenbruiloft stond afgedrukt. Vervolgens toonde hij ons een bierflesje van het merk 'Bruegel Ancienne', en zwaaiend met een Suske en Wiske-album verklaarde hij dat Willy Vandersteen de Bruegel van het stripverhaal werd genoemd. Hij citeerde de grote kunsthistoricus Edgar Wind die als vuistregel had dat we de kunst uit voorbije eeuwen trivialiseren als we er plompverloren, met onze hedendaagse ogen, naar kijken. Voor mensen uit vervlogen tijden en andere culturen had alles in het bestaan een andere lading... ademhalen, een gezamenlijke maaltijd, de wind, kleuren, het verleden, louteringen, leeftijdsverschillen, gewijde geschriften, ambachten, kunsten. De beginselen die de samenhang van hun kosmos en identiteit verwezenlijkten, vertonen op zijn hoogst zijdelingse raakvlakken met de beginselen die ons bestaan bestemmen. Dit voldongen feit werd samengebald in het voor mij tot op de dag van vandaag verhelderende Duitse begrip 'Alterität'. Het getuigde, volgens de vertoornde kunstgeschiedenisdocent, van een totale blindheid voor de Alterität van Pieter Bruegel om hem zonder enige schroom of bijgedachte weg te zetten als de schilder van eetlustopwekkende volkstaferelen. (En ook de wat minder onverschillige kijker die met zijn hedendaagse ogen bleef steken in een waardering van Bruegel als een gepassioneerd waarnemer van de natuur in al zijn vormen, of als een schilder met een groot compositorisch en vertellend vermogen, bezondigde zich volgens hem aan trivialisering.)

Sinds mijn studentenjaren ben ik een paar keer in de gelegenheid geweest om me te verdiepen in de denkwereld die in de zestiende eeuw richting gaf aan de inspanningen van de schilder die rond 1525 - waarschijnlijk in Breda - is geboren. Het is mij daardoor duidelijk geworden dat 'sich nicht satt sehen können' voor de humanistische kring van zestiende-eeuwers waartoe Pieter Bruegel behoorde een levensvoorwaarde was.

Humanisten - belezen mensen, geleerden - vormden een paar honderd jaar geleden de tegenpool van hedendaagse humanisten: het Oude en het Nieuwe Testament spoorden hen een leven lang aan tot contemplatie en doordrongen hen ervan dat de mens op eigen kracht tot geen enkele zelfkennis in staat was. Menselijke ideeën over wijsheid en dwaasheid vielen in het niet bij metafysische, van God gegeven ideeën over wijsheid en dwaasheid. Het was een zaak van leven of dood voor Bruegel - en voor geestverwanten als bijvoorbeeld Erasmus en Rabelais - om de lamentabele toestand van de menselijke zelfkennis aan het licht te brengen en zo de inspiratie te wekken op jacht te gaan naar verhevener vormen van kennis. Wat mij zeer aanspreekt is dat Bruegel en de zijnen hun hoge idealen uitdragen in sferen die in de grond gekleurd worden door serio ludere, door een volkomen natuurlijke verwevenheid van hoge ernst en de drang om scherpzinnig, komisch, ongeremd, kleurrijk en raadselachtig uit de hoek te komen. Paradoxen, omgekeerde werelden, spreekwoorden, orphische vermommingen (hoge waarheden verpakt in schijnbaar onbenullige verhaaltjes), misleidingen, bandeloze opsommingen... het zijn allemaal technieken om de mens op te schrikken uit de wakende slaap waarin zijn loze wijsheid hem gevangen houdt. Voor mensen als Bruegel bood de wereld, het bestaan, een hoorn des overvloeds aan concreet materiaal waaraan ogen die op zoek waren naar 'klievende morele lessen' zich konden verlustigen. Mijn kennismaking met zijn 'Alterität' heeft me echter bovenal geleerd dat we Pieter Bruegel niet alleen moeten beschouwen als een satiricus die de dwaasheid van de wereld aan de kaak stelt, maar als een van spelgeest doortrokken bijbels-gelovige voor wie de 'dwaasheid van God' (culminerend in de onbevattelijke kruisdood van zijn zoon) de laatste en diepste waarheid is.

Pieter Bruegel de Oude werd slechts vierenveertig jaar. (Hij stierf in 1569, toen zijn zonen Pieter en de latere 'fluwelen Bruegel' Jan respectievelijk vier en één jaar oud waren.) Al zijn schilderijen - een ware explosie - stammen uit de laatste tien jaar van zijn leven. Daarvoor was hij in dienst van Hieronymus Cock voor wie hij meer dan tachtig tekeningen maakte die als prenten in heel Europa aftrek vonden. De reikwijdte van zijn onderwerpen getuigt van de fascinatie van een zestiende-eeuwer voor verscheidenheid. Naast zijn festiviteiten op het platteland tekende en schilderde hij bijbelse taferelen, parabels, inventarissen van kinderspelen en spreekwoorden, schepen op zee, allegorieën, seizoenen, havengezichten en apocalyptische visioenen. Er is een vaak geciteerde, bondige loftuiting van de beroemde cartograaf Ortelius - een eeuwgenoot - die op het gehele oeuvre van toepassing is: 'Deze Bruegel heeft veel mysteries geschilderd, die men niet schilderen kan.'

Een schilderij van Bruegel drukt je met je neus op de ware betekenis van het woord 'schouw-spel', op de waarheid dat 'contemplatie' (zien en in stille aandacht overdenken wat je ziet) niet alleen tot inzichten leidt maar ook de hoogste vorm van plezier verschaft. Ik hoop dat de hiernavolgende povere vogelvlucht toch iets van die waarheid kan oproepen en zo de overtuiging van mijn tekenleraar kan staven dat men 'sich nicht satt sehen kann' aan Pieter Bruegel.

Zou er iemand zijn die niet feestelijk gestemd raakt wanneer hij de kleurenrijkdom van het schilderij De Spreekwoorden op zich laat inwerken... de kleurenrijkdom die samen met de volheid, de keur aan bewegingen en handelingen het wonder van een onontrafelbaar geheel vormen? En wie zou het niet komisch vinden om zo'n honderd mensen vol overgave in de weer te zien met het verrichten van handelingen die nooit letterlijk - in het echt - verricht worden: de duivel wordt op een kussen gebonden, er wordt een gek geschoren, een man zit op hete kolen, een ander pist tegen de maan... en zo laat Bruegel negentig spreekwoorden vlees worden. Voor de tijdgenoten van de schilder waren spreekwoorden geen oubollige formules maar compacte wijsheden die boekdelen spraken over de vele manieren waarop men op een onthutsend dwaalspoor terecht kon komen. Het schilderij biedt ook voor een beschouwer die maar een klein beetje thuis is in de verre wereld van de zestiende eeuw een duizelingwekkende combinatie van feestelijke humor en wezenlijke ontluistering. Weggestopt in de marge van de compositie - een kunstgreep die de schilder vaker toepast, in navolging van 'de bijbelse schat in de akker verborgen' - wordt de paradox uiteindelijk opgeheven door de verbeelding van een spreekwoord dat belooft dat Gods waarheid onherroepelijk aan het licht zal komen.

Aan een van de spreekwoorden - 'de blinden leiden de blinden' - heeft Bruegel een apart schilderij gewijd. Het wereldberoemde droombeeld hangt in Napels... het beeld van de zes blindgangers die in stompzinnige saamhorigheid een onvergetelijke val belichamen. Volgens kenners heeft de schilder iedere blinde uitgerust met zijn eigen - realistische, medisch herkenbare - vorm van blindheid. Temidden van nog veel meer andere realistische details valt op dat alle deelnemers aan de gedoemde optocht zonder enige blik in de ogen toch ieder een eigen gelaatsuitdrukking vertonen, variërend van haat tot onschuld. Het bezwerende van dit schilderij is gelegen in de krachttoer die Bruegel levert door ons met een summum aan realisme te dwingen op te gaan in de overdrachtelijke zin van zijn uitbeelding. En wie zich oog in oog met de zes ongelukkigen door de schilder laat meeslepen, zal onvermijdelijk moeten vaststellen dat hijzelf tijdens zijn leven al heel wat keren van een gelijksoortige processie deel heeft uitgemaakt.

De val van Icarus, apocalyptische visoenen zoals De dulle Griet en De triomf van de dood, de seizoenencyclus met onder meer De jagers in de sneeuw en De graanoogst, de voorstelling van De brave boer... deze wilde en vreemde schilderijen moeten hier buiten beeld blijven. Ik wil nog wel een keer de restaurant-placemats ter sprake brengen. Pieter Bruegel zou niet beledigd zijn geweest door deze trivialisering, integendeel, hij zou het op grond van zijn renaissancistische drang om mensen op het verkeerde been te zetten een goede mop gevonden hebben dat wij smullende en feestende mensen zien in de logge, inhalige, vreugdeloze wezens die er zelfs niet voor terugdeinzen om het kruis te vertrappen waaraan de verlosser van de mensheid gestorven is, het kruis dat in alle verborgenheid gevormd wordt door twee nauwelijks zichtbare strootjes op de voorgrond van De Boerendans.