Onderwijstijd

Het leven zit vol paradoxen, zoals Knoppert betoogt in zijn artikel (W&O 17 februari). De jeugd blijft langer op school maar leert minder, en neemt veel later volwassen verantwoordelijkheden op zich. Die paradox wordt nog versterkt als men zich realiseert dat in de afgelopen eeuw de verhouding tussen meerderjarigheid en levensverwachting zich eveneens omgekeerd evenredig heeft ontwikkeld. Ruim honderd jaar geleden was de meerderjarigheid gesteld op 23-jarige leeftijd. Omstreeks 1905 werd dat verlaagd tot 21 jaar, om op 1 januari 1988 nog verder teruggebracht te worden tot 18 jaar. In dezelfde periode is de levensverwachting enorm gestegen. Werd men omstreeks 1890 gemiddeld 60 jaar, dan had men meer dan eenderde van het leven doorgebracht als minderjarige. Dat zou moeten betekenen dat eenderde van de levenstijd werd gebruikt om een mens te begeleiden naar de volwassenheid. Nu de meerderjarigheid is gesteld op 18 jaar, is de levensverwachting juist spectaculair gestegen tot boven de 80. Tegenwoordig is een mens minder dan een kwart van z`n leven minderjarig. We kunnen ons dus met Rob Knoppert in gemoede afvragen hoe de ideale verhouding er uit zou moeten zien om op het volwassen leven voorbereid te worden.

Want de jeugd die langer jong en dom is, is wettig gesproken wel veel jonger mondig. Jong mondig en laat volwassen.