Neptempels in een cultureel Disneyland

Toeristen bezichtigen net zo lief de Moulin Rouge als de Pietà Rondanini, schrijft Umberto Eco. Om het Italiaanse culturele erfgoed te behoeden, pleit hij daarom voor de bouw van een pretpark: Uffiziland.

In de krant en op internet lees ik dat er voor anderhalf miljard euro een archeologisch park genaamd Megale Hellas (Groot-Griekenland) zal worden aangelegd, met een complete neptempel van met travertijn bekleed gewapend beton. Het komt te liggen bij Albanella, een Italiaans stadje op twintig kilometer van de tempels van de oude Griekse kolonie, en zestig kilometer van de tempel in Velia.

De mensen die bezwaar hebben tegen dit plan wijzen erop dat er maar een paar kilometer verderop een echte, aan Demeter gewijde tempel uit de vierde of vijfde eeuw voor Christus ligt, die niemand van plan is op te graven.

Voorstanders hopen dat een en ander meer toeristen zal trekken dan de echte tempels – die eerlijk gezegd allemaal nogal bouwvallig zijn. Zij denken waarschijnlijk aan het nagebouwde Venetië in Las Vegas of de Parthenon-replica in Nashville, Tennessee, en misschien zelfs aan de diverse Disneylands. Je kunt van die dingen zeggen wat je wilt, maar mensen trekken ze beslist, en geld ook.

Ik heb begrip voor de mensen die het idee stuitend vinden, maar tot mijn spijt moet ik hun ontsteltenis vergroten; ik vind namelijk dat iedereen dit soort ondernemingen van harte zou moeten ondersteunen, juist om het Italiaanse artistieke erfgoed te behoeden.

Lang geleden werden plaatsen van groot historisch en cultureel belang alleen bezocht door aristocratische reizigers die de Grand Tour deden of Italië verkenden. Dat gaf aanleiding tot melancholieke bespiegelingen, niet alleen om redenen van sociale gerechtigheid, maar ook omdat het die mensen in hun verrukking niets uitmaakte dat de kerken en de palazzi vervielen, dat schitterende schilderijen verwaarloosd in vochtige sacristieën rondslingerden en dat het mos de antieke beelden overwoekerde. Daarna volgde een ‘bourgeois’-toerisme; nog altijd een elitezaak, maar het betekende wel honderdduizenden ontwikkelde, kunstgevoelige reizigers. Om aan hun eisen te voldoen werden gebouwen en kunstwerken gerestaureerd, en van die nieuwe vorm van toerisme hebben vele dorpen en steden geprofiteerd.

De komst van het massatoerisme – het derde stadium – heeft enkele dorpen en grote steden misschien meer inkomsten opgeleverd, maar tegen de prijs van verloedering en vervuiling. Ze werden tot stortplaatsen voor colablikjes en plastic tasjes, ontsierd door rijen kraampjes met archeologische namaak voor souvenirjagers: onwelriekende labyrinten, ondraaglijk door de luidruchtige, zwetende massa. En alleen al de adem van miljoenen toeristen kan kunstwerken in gevaar brengen. Ook zijn de voeten van sommige heiligenbeelden helemaal afgesleten door de voortdurende aanrakingen van de gelovigen. Zelfs de piramides zullen niet lang meer bestand zijn tegen het voortklossen van de dagelijkse menigte bezoekers.

Wat nu? Moeten wij de massa, in strijd met alle democratische idealen, de toegang tot de kunst ontzeggen en reactionair dromen van de ‘goede oude tijd’ toen het toerisme slechts voor enkelen was weggelegd? Moeten wij bezoek ontmoedigen, zoals bij Leonardo’s Laatste Avondmaal in Milaan al gebeurt, waar de beperkte aantallen die worden toegelaten inderdaad als gevolg hebben dat ook velen die over voldoende culturele bagage beschikken om die ervaring naar waarde te kunnen schatten, ervan af moeten zien? Moeten wij racistisch bejammeren dat hun plaats wordt ingenomen door horden per chartervlucht aangevoerde Aziaten die niet eens weten wat ze eigenlijk gaan zien, precies zoals voor een Europeaan die het Verre Oosten bezoekt al die tempels eigenlijk niet van elkaar te onderscheiden zijn?

Nee, wij moeten profijt trekken van de natuurlijke neiging van de massatoeristen, die net zo lief de Pietà Rondanini bezichtigen als de Moulin Rouge – een neiging waardoor vele Amerikanen Caesar’s Palace in Las Vegas Romeinser vinden dan het Colosseum. Denk je eens in hoeveel mensen meer zullen genieten van de neptempels in Albanella – ongeschonden, glimmend en stralend – dan van de echte, die zich in het naburige Paestum met moeite staande hebben gehouden. Stuur de menigte die licht vertier zoekt daarom naar Albanella, en laat Paestum over aan de mensen die er verstand van hebben en die geen snoeppapiertjes laten slingeren.

Wat zou het nuttig zijn om aan de rand van Florence een Uffiziland aan te leggen, met perfecte replica’s van de kunstwerken uit het echte Uffizi – misschien zelfs met iets opgepepte kleuren, zoals Amerikaanse begrafenisondernemers de lippen van de overledenen een kleurtje geven.

Aangezien de massa zich toch al voor het Palazzo Vecchio in Florence vergaapt aan een ‘David’ die niet de echte is – maar dat weten ze niet, of het kan ze niets schelen –, waarom zouden ze dan niet naar Uffiziland gaan? Dan zouden minder monden met hun schadelijke uitwasemingen Botticelli’s Primavera in gevaar brengen.

Kom me nou niet aan met het argument dat dat een ‘klassebeleid’ zou zijn, een poging om de holbewoners te scheiden van de mensen met gevoel voor kunst. Misschien zou dat inderdaad gebeuren, maar ieder zou vrijwillig, zonder sociale dwang, kunnen uitmaken tot welke categorie hij of zij behoort. Miljoenen mensen – onder wie ook welgestelden – doen nu al zulke keuzes wanneer zij hun televisie afstemmen op pulpprogramma’s.

Anders dan het aloude proletariaat van Marx zouden de nieuwe kunstproletariërs hun status niet eens beseffen; zij zouden heel gelukkig zijn omdat zij de blinkendst gepoetste tempel van allemaal hebben bezocht.

© International Herald Tribune