Moderne mens peddelde via delta’s naar Australië

De Australische antropoloog David Bulbeck schrijft in Current Anthropology (april 2007) dat de moderne mens (Homo sapiens) langs de tropische kust van de Indische Oceaan richting Australië is getrokken. Alleen op die route zou voldoende voedsel te vinden zijn geweest, vooral in riviermondingen.

Dat H. sapiens uit Afrika stamt en dat zijn verspreiding oostwaarts zo’n 75.000 jaar geleden begon, wordt door de meeste antropologen onderschreven. Voor die ‘Out-of-Africa’-theorie bestaan sterke genetische en archeologische aanwijzingen. Langs welke routes die migratie verliep en wat deze migranten dreef, daarover bestaat geen consensus. Voor de route naar Australië zijn drie theorieën in omloop: langs de (zuid)kust van het Arabische schiereiland en Zuid-Azië; landinwaarts, door het Midden-Oosten; en een combinatie van die twee. Bulbeck kiest voor de eerste.

De Amerikaanse geneticus Spencer Wells, auteur van het boek The Journey of Man (2002), suggereert dat de trek oostwaarts ‘niet zozeer een reis was, maar een wandeling langs het strand op zoek naar een plekje waar het minder druk was’. Dit is in een notendop de ‘strandloperstheorie’. Bulbeck vindt die onbevredigend.

Genetisch materiaal wijst erop dat H. sapiens ongeveer 60.000 jaar geleden de oversteek maakte van ‘Sunda’, de in het late Pleistoceen nog bestaande uitstulping van het Aziatische continent (nu Malakka en de eilanden Sumatra en Borneo), naar ‘Sahul’, de destijds verbonden landmassa’s van Australië en Nieuw-Guinea. Als dit juist is, beschikten de ‘strandlopers’ over zeewaardige boten en maritieme kennis. De basis daarvoor was al veel eerder gelegd. Archeologische vondsten in Oost-Afrika wijzen erop dat al 125.000 jaar geleden riffen voor de kust werden geëxploiteerd met kleine vaartuigen. Zo’n 50.000 jaar later staken de eerste mensen over van Eritrea naar Zuid-Arabië.

Bulbecks migratiemodel komt neer op ‘estuary hopping’. Hele stukken van het lange traject langs de boorden van de Indische Oceaan waren te droog of te onherbergzaam voor menselijke bewoning. Die werden gepasseerd door kustvaart met kano’s die door handkracht (peddels) werden voortbewogen. De snelheid was afhankelijk van de vaartuigen en de heersende wind.

Zeker voor de passage van langere stukken onbewoonbare kust was voldoende drinkwater nodig. Men zocht naar plaatsen waar zowel hout voor boten, voedsel (visrijke koraalriffen en zeegrasbedden), brandhout (mangrovebossen) als zoet water voorhanden waren. En die vond men aan de mondingen van rivieren. Nederzettingen op zulke plaatsen dienden volgens Bulbeck als uitvalsbases voor nieuwe zeereizen,

Hij denkt overigens niet dat de lokroep van onbekende verten mensen tot kolonisering van nieuwe gebieden bewoog. Volgens hem waren oplopende bevolkingsdruk in bestaande nederzettingen en de aanhoudende zoektocht naar nieuwe, voor bewoning geschikte estuaria de belangrijkste drijfveren voor trekgedrag.

Aanpassing aan het milieu van riviermondingen zou migranten uit Afrika in staat hebben gesteld in naar schatting 15.000 jaar de uiterste punt van ‘Sunda’ te bereiken. Daar begon een archipel – nu de Indonesische eilanden ten oosten van Borneo – die ‘Sunda’ scheidde van ‘Sahul’. Tegen die tijd, zegt Bulbeck, hadden zij voldoende maritieme kennis en ervaring opgedaan om de sprong te wagen.

Dirk Vlasblom