Marktwerking

Zowat de hele Partij van de Arbeid buigt zich inmiddels over de vraag hoe het in hemelsnaam mogelijk was dat kiezers zo massaal de partij de rug toekeerden. Ik heb daar een verklaring voor, die ik illustreer aan de hand van de ontwikkelingen in het onderwijs. De laatste jaren is in alle sectoren van het onderwijs sprake geweest van bestuurlijke schaalvergroting. In combinatie met de bestuursfilosofie van terugtrekkende overheid en besturen op afstand, is het zwaartepunt in het beleid steeds meer verschoven van de centrale overheid in de richting van de besturen. Deze ontwikkeling strookt met de CDA-filosofie van autonomie in eigen kring en de privatiseringsgedachte van de VVD.

Het overheidsbeleid werd steeds meer bepaald door de wensen van het middenveld, in casu de grote besturen, en door het principe van de eigen verantwoordelijkheid van de onderwijsconsument. Om het de schijn van rechtvaardiging te geven, wordt dit laatste aangeduid met de term profijtbeginsel.

Deze ontwikkeling heeft ertoe geleid dat kwalitatief goed onderwijs niet langer de norm is. Daar moet extra voor worden betaald: voor huiswerkinstituten als noodzakelijke aanvulling op havo en vwo, voor privéscholen zoals het Luzac College en, wat het wetenschappelijk onderwijs betreft, voor de academies voor financieel draagkrachtigen. Kortom, we zijn hard bezig afscheid te nemen van ons voor iedereen toegankelijke, kwalitatief uitstekende onderwijs. Met in de plaats daarvan een tweesporenbeleid met aan de ene kant een basisvoorziening die steeds verder wordt uitgekleed en aan de andere kant aanvullingen die steeds meer nodig zijn wil er nog sprake zijn van acceptabele kwaliteit. Dezelfde ontwikkeling dus als in de gezondheidszorg, maar het verschil met die sector is dat ze daar nooit zo ver zullen gaan om de assistent van de chirurg op eigen houtje de operatie te laten verrichten.

Met de schaalvergroting hebben de bestuurders meer macht gekregen. Daarbij hebben zij hun machtspositie verder versterkt door zich te organiseren in sectorraden. Deze professionele lobbyorganisaties zoals VSNU, HBO- en MBO- raad, maken, wat hun sector betreft, in feite de dienst uit. Met deze ontwikkeling hebben de besturen en bestuurdersorganisaties zich geleidelijk getransformeerd tot politieke beleidsorganen.

Bij dit alles zijn de bestuurders zich steeds meer gaan spiegelen aan het bedrijfsleven waar rendement en winst de leidende beginselen zijn. Terwijl ze de salarissen voor de leraren verlaagden, hebben zij die voor zichzelf verdubbeld. Een ministerssalaris exclusief bonus is in deze kringen al lang niet meer uitzonderlijk. Onder de vlag van marktwerking en mondialisering heeft zich een graaicultuur ontwikkeld die ten koste is gegaan van de kwaliteit en de toegankelijkheid van voorzieningen zoals die op het gebied van onderwijs. Voor politici is er daarmee een keur aan aantrekkelijke beroepsalternatieven bijgekomen. De raden en besturen worden dan ook steeds meer bemand en bevrouwd door mensen met een politieke achtergrond.

De Partij van de Arbeid treft het verwijt dat zij hier volop aan heeft meegedaan. Zij heeft nooit ingegrepen waar haar leden deze ontwikkelingen ten eigen faveure aanwendden en zich daarmee onverschillig toonden voor de waarden waar die partij ooit voor werd opgericht. De vraag in De Wouter Tapes ‘waar staat de Partij van de Arbeid voor?’ werd beantwoord met een lang en indringend zwijgen. Uiteindelijk kwam het hoge woord eruit: voor de zwakkeren in onze samenleving.

Daar hebben we de laatste jaren dus helemaal niets van gemerkt.

lgm.prick@worldonline.nl