Hij heeft nooit geslagen, gekrabd en geknepen

Wie komt er bij de rechter en waarom? Mohamed M. sloeg zijn vrouw en zijn dochters. Allemaal leugens, roept hij telkens. De rechter gelooft hem niet.

De rechtszaal zit al vol met leerlingen van het Erasmus College en met studenten van de Leidse Hogeschool. Ze zijn op excursie bij de Haagse politierechter. Dan komt Mohamed M. binnen, of liever: hij maakt zijn entree. Hij lijkt blij met zoveel belangstelling voor zijn zaak. Verrassend kwiek voor iemand met een stok loopt hij over het middenpad naar voren en gaat zitten in het verdachtenbankje.

De aanklacht is niet mis. Mohamed zou zijn vrouw en drie dochters tien jaar lang hebben mishandeld. De officier leest voor: hij heeft ze met een stok geslagen, met een kabel op hun rug geslagen, geduwd, gekrabd, in hun neus en keel geknepen, met de vlakke hand en een vuist in hun gezicht geslagen.

De advocate van Mohamed had ervoor gekozen om hem vooral zelf het woord te laten doen. Ze verwachtte dat Mohamed ervanaf zou komen met een flinke taakstraf, of hooguit een voorwaardelijke gevangenisstraf die hij alleen moet uitzitten als het weer misgaat. Mohamed is een ‘first offender’: hij heeft geen strafblad. Hij is 58, arbeidsongeschikt en hij woont niet meer in hetzelfde huis als zijn vrouw en dochters. De kans dat het weer misgaat, is dus klein. Dacht de advocate.

Maar de officier van justitie eist tien maanden gevangenisstraf. De rechter komt uiteindelijk iets lager uit. Mohamed moet vijf maanden naar de gevangenis.

Doet de rechter extra streng omdat er zoveel scholieren in de zaal zitten? Vast niet. Is de straf zo hoog omdat huiselijk geweld een prioriteit is van deze en de vorige minister van Justitie en om die reden zwaar bestraft wordt? Misschien. Of is het omdat alles aan Mohamed ‘nee’ uitstraalt. De rechter is nog niet begonnen of Mohamed roept dat het leugens zijn. De rechter vermaant hem, eerst vriendelijk, later bozig. Maar Mohamed luistert niet.

De eerste aangifte is van de oudste dochter van 17. Haar vader ranselde haar af, ze vluchtte met haar twee zusjes naar de politie en bleef twee weken in een opvanghuis van Jeugdzorg.

Nee, zegt Mohamed. „Karima spijbelde. Ze zei elke dag: ik ga naar school. Maar ze ging naar de discotheek.” Hij was boos, dat wel. Maar slaan? Nee.

Ook de tweede dochter heeft een verklaring afgelegd bij de politie. Haar vader zou haar pols hebben gebroken toen hij er met zijn stok op sloeg. Dat was toen ze niet, of niet snel genoeg, suiker voor hem had gepakt.

Nee, schreeuwt Mohamed. „Ik vraag: schatje, pak suiker voor je vader. Ik heb pijn, ik ben ziek. Zij zegt: doe het zelf. Ik zeg: schatje, toe nou. Zij zegt: hou je bek.”

Er is ook een verklaring van de vrouw van Mohamed. Zij zegt dat Mohamed haar mond en neus dichtkneep toen zij tussenbeide kwam tussen de vader en de dochter, op de avond van het suikerincident. Dat hij haar met de vlakke hand in het gezicht sloeg.

Mohamed kreunt: o,o,o.

Ook de derde dochter heeft met de politie gepraat. Ze heeft verteld dat haar moeder en haar zusjes werden geslagen. Dat ze zelf vanaf haar tiende slaag kreeg. Thuis en op vakantie in Marokko.

Mohamed lacht nu: „Niet zij, maar ik moet aangifte doen. Wat een leugens.”

En dan is er nóg een verklaring. Van de zoon van Mohamed. Die bevestigt het verhaal van zijn moeder en zijn zusjes. Mohamed is verbijsterd: „Hoe komen ze erbij. Ik hou van mijn kinderen.”

Mohamed heeft er maar één verklaring voor: zijn kinderen haten hem. Ze vinden hem te ouderwets, te streng. En dus moet hij weg.

Hij ís ook weg. Hij woont al een tijdje bij een andere dochter, uit zijn eerste huwelijk, met een Nederlandse vrouw. Die dochter zit achter hem. Af en toe roept ze zacht tegen haar vader dat hij niet zo veel moet praten.

De officier van justitie vindt dat er voldoende bewijs is voor de jarenlange mishandelingen. Ze zegt dat ze het zich niet kan voorstellen dat een heel gezin heeft samengespannen tegen de vader en dat ze de mishandelingen hebben verzonnen.

Maar ook de oudste dochter in de zaal heeft een verklaring afgelegd. Zij zegt dat ze nog nooit is mishandeld door Mohamed. De vrouw van Mohamed belt hem elke dag om te vragen of hij weer thuiskomt. En wat is dat voor brief in het dossier, waarin zijn dochters en zoon schrijven dat zij hem ook terug willen?

De rechter vraagt er niet naar. Hij vraagt wel, voor hij uitspraak doet, of Mohamed in staat is een werkstraf te doen. Mohamed is afgekeurd, zijn rug is versleten door zijn werk in een vleesfabriek. Onmogelijk, zegt Mohamed. Hoofdpijn, rugpijn, spierpijn. En dus wordt het gevangenisstraf.

De advocate vindt het „van de zotte”, zegt ze, zo’n oude, zieke man naar de gevangenis sturen. Of Mohameds gedrag het oordeel van de rechter heeft beïnvloed, weet ze niet. Toch zal ze haar cliënt voor het hoger beroep anders instrueren.