HET SCHIJNGEVECHT MET DE TALIBAAN

Al voor we eraan begonnen, wist Nederland dat onze missie in Uruzgan hopeloos is. Een geheim rapport waarschuwde vorig jaar al dat het machtsmisbruik van de mannen van president Karzai de bevolking in Uruzgan in de armen van de Talibaan drijft. De Talibaan bestrijden betekent partij kiezen in een hardnekkig stammenconflict: president Karzai behoort tot de Durrani's, terwijl de Talibaan worden gedomineerd door de Ghilzai. En die twee groepen liggen al eeuwenlang overhoop met elkaar.

Met kwieke stap beent majoor Herman van den Tempel naar de bezoekersruimte van Kamp Hadrian in Deh Rawood, een kamp van de Nederlanders in Uruzgan, één bergketen verwijderd van Tarin Kowt, vijftien minuten vliegen per Cougar-gevechtshelikopter.

Het hoofd prt (Provinciaal Reconstructie Team, verantwoordelijk voor wederopbouwprojecten) heeft net te horen gekregen dat Ibrahim Akhundzada aan de poort staat. 'Hij heeft enkele politiestationnetjes en is medeverantwoordelijk voor de veiligheid in dit gebied.'

Van den Tempel wil de invloedrijke man voor zich winnen: 'Als je zo iemand aan je kunt binden, kan hij ook verder je boodschap uitdragen.' De vorige keer dat hij Akhundzada wilde ophalen bij de poort, bleek die al vertrokken: 'Hij moest tien minuten wachten. Dat vond hij te lang.'

Vandaag zit Akhundzada, zwarte zijden tulband, getaande kop, pientere blik, ontspannen op een plastic tuinstoel met een kopje groene thee voor zich op tafel. Een jonge militair praat het prt-hoofd even bij: 'Ik heb excuses aangeboden voor de vorige keer.' Ook huiselijk nieuws is al uitgewisseld: 'Zijn zoon Noor Ali is teruggekeerd van de Haj naar Mekka. Er was een groot feest en Akhundzada had ons daar ook verwacht.' De majoor trekt een grimas: met dat feestje heeft hij een uitgelezen mogelijkheid gemist om hearts & minds-veldwerk te doen.

'We zijn heel blij dat zovelen op bedevaart zijn geweest en we feliciteren u met hun behouden thuiskomst', zegt hij. 'Dankzij de Afghaanse gastvrijheid zijn we heel gelukkig hier en u speelt daarbij een grote rol.'

Het onderhoud duurt een half uur. Minzaam neemt Akhundzada de dankbetuigingen voor de hulp bij de beveiliging van het gebied in ontvangst. Van den Tempel informeert naar 'buitenlanders' en 'vreemden' die zich in het gebied ophouden. 'We weten dat het lente-offensief er aan zit te komen.' Hij benadrukt dat de Nederlanders de religie van de Afghanen respecteren. 'De Talibaan verspreiden het gerucht dat wij de islam willen verstoren en zoals u weet is dat niet waar. Dat blijkt immers uit het feit dat we helpen met het bouwen en het renoveren van moskeeën.'

Af en toe kijkt Akhundzada op zijn horloge. Dan noemt hij zijn prijs in deze officieuze onderhandelingen. 'Ik heb natuurlijk geen recht van spreken', begint hij hoffelijk, 'maar de mensen in Dehwannawargh zeggen: de Nederlanders zijn zo vriendelijk, waarom bouwen ze dan geen moskee voor ons?' Vervolgens uit hij een charmant verpakt dreigement: 'Sinds wij in dit gebied zijn, is hier geen Talib meer gezien. U kunt het bij iedereen navragen. Voorheen was dit een Talibaan-bolwerk, maar sinds ik hier ben, zijn er geen strijders meer gesignaleerd, geen bermbommen ontploft of zelfmoordaanslagen geweest. Het is veilig hier. Maar de mensen klagen dat ze nog geen hulpproject hebben gezien.'

Nu is het prt-hoofd aan zet. Hij vraagt of zijn gast soms heeft gehoord over mannen in uniform die 's nachts de familieforten overvallen? Akhundzada's mannen worden verdacht van deze rooftochten, maar hij blijft onverstoorbaar. Welzeker weet hij daarvan. 'Laatst zijn wij nog aangevallen. De vijand doodde 17 van mijn mannen en wij hebben er 45 gedood en een aantal gewonden gevangen genomen.' Wat heeft hij met zijn gevangenen gedaan? 'Die heb ik overgedragen aan de Amerikanen. Ik hoop dat we al die boeven voor jullie kunnen vangen.' De onderhandelingen worden beëindigd. De stamoudste krijgt ten afscheid een boek over Holland cadeau.

Wie zijn de Talibaan?

Hoezeer de Nederlandse militairen ook hun best doen om de harten en geesten van Afghanen te winnen, hoe ze ook rekening proberen te houden met culturele fijngevoeligheden, het zal ze niet lukken daarmee Uruzgan te stabiliseren. De navo-soldaten zitten vastgezogen in een moeras van conflicten die slechts voor een deel te maken hebben met Al-Qaeda of de Talibaan als van die begrippen al een definitie te geven is.

Na de aanslagen van 9/11 werd Afghanistan door het Westen aangevallen om de trainingskampen van Osama bin Laden op te doeken en de Talibaan onschadelijk te maken. De internationale troepen denken nog steeds dat ze hun War on Terror aan het uitvechten zijn, maar de Afghanen zijn intussen met een interne machtsstrijd bezig. Wie zich aansluit bij de Talibaan en wie niet wordt bepaald door conflicten die soms al eeuwen teruggaan.

In 1994 was ik getuige van een jirga, een bijeenkomst van Pathaanse stamhoofden, in de provincie Ghazni. Honderden spin giri ('witte baarden') bogen zich over de crisis in hun land. Ook al waren de laatste Sovjetsoldaten in 1989 over de Vriendschapsbrug naar Oezbekistan vertrokken en was de communistische marionettenregering omver geworpen, de oorlog duurde maar voort. De mujahedeen-partijen die tegen de communisten hadden gevochten, verscheurden het land in hun onderlinge machtsstrijd. De witte baarden hadden geruchten gehoord over een mysterieuze nieuwe beweging, die de Talibaan werd genoemd. Wist iemand wie dat waren?

Dertien jaar later is die vraag van de witte baarden nog net zo actueel. De beweging maakte midden jaren negentig tot blijdschap van de gekwelde bevolking een eind aan de anarchie van de mujahedeen. En passant sloten de Talibaan ook de meeste meisjesscholen en verboden ze vrouwen te gaan werken. Vooral voorschriften voor kleding en haardracht en allerlei rare verboden (tegen vliegeren, het houden van zang- vogels en muziek) waren zeer onpopulair. De Talibaan-interpretatie van de islam, opgedaan in koranscholen in Pakistan, botste hard met de lokale cultuur: een Afghaan is een vrij man en nogal ongezeglijk.

De Talibaan van 2007 blijken inmiddels gemuteerd in een grimmiger beweging, versterkt door drugskartels en militanten die voorheen in trainingskampen van Bin Laden zaten. Maar wat de beweging inmiddels bijna onuitroeibaar maakt, is dat ze een spons is geworden voor de groeiende groep tegenstanders van de regering-Karzai. Karzai behoort tot de Pathaanse Durrani's en die zijn al eeuwenlang de tegenstrevers van een andere Pathaanse groep: de Ghilzai.

Onmogelijke opdracht

Om beter inzicht te krijgen in de ingewikkelde lokale situatie gaf de Nederlandse ambassade in Kabul in het voorjaar van 2006 het Tribal Liaison Office (tlo) de opdracht tot uitgebreid veldwerk in Uruzgan. Deze Afghaanse non-gouvermentele organisatie beoogt de democratie in Afghanistan te bevorderen via onderhandelingen in de traditionele overlegstructuren zoals jirga's en shura's. Het tlo-onderzoek moest de Nederlanders een basis bieden voor het stabiliseren en wederopbouwen van de provincie. Het geheime rapport maakt pijnlijk duidelijk dat de navo-troepen een regering steunen die niet gedragen wordt door de bevolking, met name in de Pathaanse gebieden, zoals in Uruzgan.

Uit het rapport van tlo blijkt zonneklaar dat de Nederlanders al vóór het begin van de missie wisten dat ze weer eens een onmogelijke opdracht hadden gekregen. Beschreven staat hoe de opstand van de Talibaan in Uruzgan tot 2005 nog beperkt bleef tot de bergen, 'maar zich heeft verspreid naar alle districten'. Volgens tlo heeft de centrale regering dat in hoge mate aan zichzelf te danken. Het is de taak van de navo om die regering te steunen, maar daarmee zijn de internationale troepen de bondgenoten geworden van een hoogst onpopulair bestuur. Het rapport wijst met een beschuldigende vinger naar de vorige gouverneur Jan Mohammed Khan, die onder druk van de Nederlandse regering werd vervangen. Maar ook andere regeringsfunctionarissen hebben 'door inefficiëntie, corruptie en het versterken van de machtspositie van de lokale commandanten' (...) 'de meeste stammen van zich vervreemd en verwijderd, velen richting Talibaan.'

In sommige districten van Uruzgan hebben de lokale machthebbers van Karzai de bevolking zó afgeperst, aldus het rapport van tlo, 'dat de lokale bevolking de Talibaan smeekte om aan te vallen, in de hoop van die commandanten af te komen.' Het rapport noemt de namen van een aantal belangrijke drugssmokkelaars. Haji Q. wordt omschreven als 'een zwager van ex-gouverneur Jan Mohammed Khan'. Hij is goed voor 3 ton opiaten per konvooi. Haji F. pakt het groter aan met 5 ton per konvooi 'en heeft twee zonen die zouden werken voor de broer van de president, Ahmed Wali Karzai'. Tegen Ahmed Wali Karzai is nog geen enkele officiële aanklacht ingediend. Hij ontkent alle beschuldigingen van drugshandel. Hij is overigens niet de enige hooggeplaatste Afghaan die van drugshandel wordt beticht.

Het rapport van tlo beschrijft lokale conflicten die draaien om zar, zan en zamin, goud, vrouwen en land, al eeuwenlang de klassieke twistpunten tussen rivaliserende Pathanen-stammen. In Uruzgan worden vooral de Popalzai (de stam van president Karzai) beschuldigd van landjepik. In Deh Rawood betreft het conflict geïrrigeerd en dus kostbaar land. Andere districten kennen talloze voorbeelden van commandanten die zich de afgelopen jaren illegaal staatsgrond hebben toegeëigend. Het tlo-rapport wijst op 'het enorme gebrek aan economische mogelijkheden' in de regio. 'Bovendien hebben inwoners de indruk dat internationale troepen onterechte arrestaties hebben verricht en te hard optreden met weinig oog voor culturele gevoeligheden.' tlo zag dus stormwolken aan de hemel en waarschuwde voor 'een mogelijke transformatie van de opstand in een volksbeweging.'

Het bureau verrichtte voor de Canadezen in Kandahar en de Britten in Helmand vergelijkbare studies. Het rapport over Kandahar schetst de tegenstellingen in het zuiden nog scherper. Hier beconcurreren de Ghilzai en Durrani's, de twee belangrijkste groepen Pathaanse stammen elkaar al eeuwenlang. Meestal waren de Durrani's dominant. Zij leverden de koningen en de belangrijkste leiders, tot de Ghilzai in het communistische tijdperk eind jaren zeventig aan de macht kwamen. De rivaliteit tussen Durrani's en de Ghilzai, schrijft tlo, 'manifesteert zich als het belangrijkste conflict'. In Zuid-Afghanistan, concludeert tlo, is geen sprake van een machtsovername door Al-Qaeda of de Talibaan, maar door Durrani's.

De machtsverschuiving is het duidelijkst in het zakenleven, dat vroeger overheerst werd door Ghilzai-Pathanen, maar nu is overgenomen door hun rivalen, schrijft tlo. 'De Durrani's domineren 90 procent van de wederopbouw- en ontwikkelingsprojecten'. Ook het ana, Afghan National Army en andere veiligheidsdiensten zijn overgenomen door Durrani's. Volgens tlo zijn maar 17 van de 42 regeringsposten in Kandahar aan etnische minderheden als Tadzjieken en Hazara's gegeven, de rest is in handen van Durrani-Pathanen. 'De Durrani's hebben alles gepakt', concludeert tlo. Het kringetje is dus weer rond.

Eeuwige broedermoorden

Buitenlandse legers die zich in Afghanistan begeven, of ze nu een invasie uitvoeren of aan peace enforcement doen, vechten daar andere conflicten uit dan de Afghanen zelf. De Britten probeerden in de negentiende eeuw hun invloed in Afghanistan te vergroten tijdens de Great Game met tsaristisch Rusland en de Fransen. Ze hielpen de afgezette koning Shah Shuja weer in het zadel, maar de Afghanen keerden zich tegen hem, forceerden een aftocht en slachtten de vluchtende Britten en hun gevolg af. 16.000 mensen sneuvelden. Het onaantastbaar gewaande Empire was in shock.

Ook de oorlog in de jaren tachtig van de vorige eeuw was veel meer dan een strijd tussen de mujahedeen en Sovjetcommunisten. Er is een hardnekkige mythe dat de mujahedeen pas na de val van die communisten onderling slaags raakten, maar in werkelijkheid bevochten ze elkaar al vijf jaar vóór de invasie van de Sovjettroepen. De broedermoorden van de mujahedeen brachten het land aan de rand van de afgrond.

De Pakistanen, Russen, Iraniërs en Indiërs hadden ieder hun eigen vazallen in Afghanistan.

Die groeperingen gedroegen zich als tirannen, weigerden hun macht te delen en begingen oorlogsmisdaden tegen de bevolking. In de vier jaar tussen de val van de communisten en de machtsovername door de Talibaan in 1996 werd Kabul aan gort geschoten. Volgens het Rode Kruis vielen toen 60.000 doden. Door de stad liepen verschillende frontlijnen. Als bij een veldslag terrein werd gewonnen, gingen de heilige strijders systematisch van huis tot huis om te plunderen en te verkrachten. Krijgsheren hadden hun eigen gevangenissen en verrichtten standrechtelijke executies. De lijken lagen in de tuinen.

Lawrence of Arabia

Afghanistan heeft tientallen etnische groeperingen waaronder Tadzjieken, Hazara's en Oezbeken, maar de Pathanen (naar schatting 40 procent van de bevolking) hebben zich altijd als de natuurlijke heersers van het land beschouwd. De Talibaan-beweging bestaat vooral uit Pathanen. Nog geen jaar nadat de witte baarden hun stamoverleg voerden, stonden de Talibaan voor de poort van Kabul in een eerste poging de mujahedeen-regering weg te jagen. Bij het kapotgeschoten Darulaman paleis zag ik in maart 1995 honderden Talibaan-strijders verzameld. Ze hadden een hoog Lawrence-of-Arabia-gehalte: rijzige gestalten, smetteloos witte tulbanden, de ogen omrand met zwarte kohl. Opgewekt gingen ze op weg met hun kalasjnikovs en rocket propelled grenades.

Toen de Britten de Afghanen aan het eind van de 19de eeuw niet onder controle kregen, trokken ze dwars door het gebied van de Pathanen een grens tussen Afghanistan en Pakistan (toen onderdeel van Brits-India). Sinds de onafhankelijkheid vreest het Pakistaanse establishment dat hun Pathanen zich aansluiten bij Afghanistan of zelfs een onafhankelijke staat uitroepen. Begin jaren negentig zei de toenmalige Pakistaanse zaakgelastigde in Kabul al tegen me: 'Pakistaanse generaals hebben nachtmerries over de roep om een onafhankelijke Pathanen-staat.' Elementen binnen de Pakistaanse geheime dienst isi proberen al sinds begin jaren zeventig een Pathaan van eigen keuze in Kabul aan de macht te helpen. Met dat doel is ook de Talibaan-beweging gesteund met strategisch advies, communicatiemiddelen, wapens en zelfs troepen.

Maar het waren Pakistaanse zakenlieden die in 1994 het eerste geld in de prille Talibaan-beweging injecteerden. Zij wilden zaken doen in Centraal-Azië, maar Afghanistan was een struikelblok: alle doorgaande wegen waren vergeven van de illegale wachtposten waar mujahedeen of loslopende rovers voorbijgangers geld aftroggelden of erger. De eerste taak van de Talibaan was het beveiligen van een konvooi met vrachtwagens vol handelswaar van het Pakistaanse Quetta door Afghanistan naar Turkmenistan. Het schoonvegen van de weg verliep zo voorspoedig dat de Talibaan vrijwel moeiteloos Kandahar konden innemen. De Afghanen waren midden jaren negentig de chaos zo verschrikkelijk zat, dat ook niet-Pathanen blij waren dat de mujahedeen verjaagd werden. Ook al was de vreugde kortstondig en bleek het regime van zwarte-kousensunnieten extreem repressief, de Talibaan namen wel wapens in beslag en bleken minder corrupt dan de mujahedeen.

Veel Durrani's, inclusief de familie Karzai, sloten zich aan bij de beweging in de hoop dat de Talibaan de Afghaanse koning uit ballingschap zouden terughalen. Maar daar stak de Pakistaanse geheime dienst een stokje voor: er kwamen aanslagen op Afghaanse royalisten in ballingschap. Ook de vader van Karzai kwam zo in Pakistan om het leven. Veel Durrani's verlieten daarop de Talibaan-beweging, die nu gedomineerd wordt door de Ghilzai.

Onderhandel met de Talibaan

Begin dit jaar reisden wij tweeëneenhalve maand door Pakistan en Afghanistan. Het beeld was verontrustend. Vorig jaar zijn meer dan vierduizend Afghanen gedood door aanslagen van Talibaan, maar ook door luchtaanvallen en ander optreden van navo-troepen. Het gevreesde 'lente-offensief' is al in de winter begonnen, maar niet alleen in Afghanistan. In Pakistan zijn vrijwel iedere dag bloedige aanslagen. Doelwit zijn steeds vaker politiefunctionarissen, rechters of 'navo-spionnen', die onthoofd worden teruggevonden met een beschuldigend briefje uit naam van de Talibaan. Het Pakistaanse leger verloor in de War on Terror inmiddels 700 soldaten. De vraag is niet alleen of Pakistan de Talibaan en Al-Qaeda wel wíl aanpakken, maar of ze dat nog kán. Hele steden búiten de notoire stammengebieden waar Osama bin Laden zich zou ophouden zijn no-go zones voor de Pakistaanse autoriteiten. Konden wij twee jaar geleden met enige moeite nog doordringen in het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan, nu is het door de Pakistaanse overheid hermetisch afgesloten voor journalisten.

Over Afghanen bestaan heel wat nare clichés: 'Een Afghaan kun je wel huren, maar niet kopen.' En: 'Ik vecht tegen mijn broer, mijn broer en ik vechten tegen onze neef, gedrieëen vechten wij tegen de buren enz, enz.' Toch is dat precies de visie van senator Mahmood Afzal Ahmedzai, die ik spreek in zijn kamertje in de Senaat in Kabul. Hij draagt een pannenkoekhoed en een lange wollen mantel, zijn handen zijn verstopt in zijn mouwen. 'Iedereen die hier macht krijgt, wil koning, president of minister worden', zegt de senator. 'We moeten nu gaan zorgen dat de grondwet voor iedereen geldt en dat niemand boven de wet verheven is.'

Ook zijn collega Bakhtar Aminzai komt uit de Pashtun-belt. Hij onderstreept wat veel Afghaanse politici zeggen: stabiliteit afdwingen is niet mogelijk zolang de Talibaan zijn uitgesloten van de macht. 'De Amerikanen en de coalitie hebben een fout gemaakt. Ze hadden moeten praten met de Talibaan en hen een aantal opties moeten voorleggen.' Na vijf jaar, zegt Aminzai, is het overduidelijk. 'De Talibaan vormen een machtsfactor waar we niet omheen kunnen.

Als wij de kans krijgen om ze binnen te halen, kunnen we de regering versterken en vervolgens ons 'externe' probleem aanpakken'. Het 'externe probleem' waar Aminzai op doelt is Pakistan.

Beide senatoren uiten felle kritiek op het optreden van de internationale troepen. Er vallen te veel burgerslachtoffers. 'Ze luisteren niet naar de stem van het volk', zegt Aminzai. Hij vertelt het verhaal over een Afghaan die gezocht werd door de Amerikanen. 'Midden in de nacht komen ze bij zijn huis en roepen: Waar is Nawab? Nawab stapt naar voren en zegt: Ik ben Nawab. Hij wordt ter plekke doodgeschoten, voor de ogen van zijn vrouw en kinderen.' De senator weet nog steeds niet waar Nawab van beschuldigd werd. 'Als Nawab iets op zijn geweten heeft, waarom wordt hij dan niet berecht in plaats van doodgeschoten? Langzaamaan creëert dit optreden afstand tussen de coalitietroepen, de regering en de bevolking.' Want, zegt Aminzai: 'Er is niet één Nawab, er zijn er duizenden.'

Onze man uit Kandahar

Na mijn verblijf in Uruzgan vlieg ik per helikopter door naar Kandahar. Daar ga ik met mijn vertaler zonder de militairen op pad. We vertrekken lopend van het militaire vliegveld. Ik draag geen burqa en we hebben ook geen privéleger ingehuurd. Wel hebben we geprobeerd onze tocht zo veilig mogelijk te regelen. Via Pathaanse vrienden in Kabul heb ik contact gelegd met een landeigenaar die beloofd heeft ons van het vliegveld op te halen. Kilometers lopen we door de schemer tot we bij de ingang van het burgervliegveld komen. We wachten bij het Russische gevechtsvliegtuig, dat ter versiering op een sokkel is gemonteerd, tot 'onze man uit Kandahar' komt aanrijden.

Tawfiq Raffiqi, gladgeschoren, maar wel in traditionele shalwar kameez, heeft twintig jaar in Californië gewoond. Hij neemt ons eerst mee Kandahar in en doet alsof hij een toeristische rondleiding geeft: 'You wanna see suicide road?' De winkels zijn open maar de paar mensen die op straat zijn kijken schichtig om zich heen. Volgens Raffiqi zijn hier al zo'n twintig aanslagen geweest. Hij wijst naar een verwrongen kantoorskelet: 'Dat was van een vriend van me'. Ik draai het autoraampje verder open om zuurstof te krijgen want Raffiqi rookt aan een stuk door hasj. Hij maakt zieke grappen om de spanning te verdrijven. 'Vraag je aan een extremistenkind: Wat wil je later worden, als je groot bent?

Zegt-ie: suicide bomber! Snap je? Ha, ha, ha.'

Bij het kampvuur in de achtertuin van Tawfiq Raffiqi bespreken we 's avonds de veiligheidssituatie in Kandahar. Familielid Ayub zegt dat hij helemaal niet bang is voor de Talibaan: 'We weten wie het zijn. Hoe we ons tegen hen moeten beschermen en met wie we moeten praten. Wij zijn pas echt bang voor de regering.' Die is corrupt, zegt hij, en wordt gedomineerd door krijgsheren. 'We zijn bang voor de politie en het leger, want we weten waar ze op uit zijn.' Volgens Raffiqi is Kandahar daardoor zo onveilig geworden. 'Ze kunnen straffeloos moorden en doen dat ook. Ze doden zelfs als er niks te halen is, om de mensen bang te maken en te laten zien dat ze ermee weg kunnen komen.' Zo durft niemand meer te protesteren. Ayub Raffiqi vertelt dat twee dagen geleden een neef van hem is doodgeschoten in zijn auto. 'Hij had geen machtige functie, maar een eenvoudige baan in het onderwijs.' De executie vond plaats op klaarlichte dag, 'voor de ogen van zijn kinderen, allevier jonger dan tien.'

Een dag later rijden we met Tawfiq naar zijn landgoed buiten de stad. Pansjwaji is een van de explosieve thuisgebieden van de Talibaan. Afgelopen september probeerde de navo hier met Operation Medusa orde op zaken te stellen en stuitte op onverwacht grote Talibaan-formaties. Inmiddels zijn negentigduizend weggevluchte burgers weer teruggekeerd, maar daar is weinig van te merken. De weg naar Pansjwaji is vrijwel verlaten, een veeg teken. Slechts een paar boeren werken op het land. Ieder voertuig, iedere voorbijganger wordt met grote argwaan bekeken. Het gebied ligt een goed half uur verwijderd van Kandahar. We rijden erheen met Raffiqi's auto, een bodyguard met een kalasjnikov zit naast hem. De landeigenaar heeft zelf ook een geweer op schoot liggen. De Mercedes slingert gevaarlijk over de weg terwijl Raffiqi in zijn broekzak grijpt: 'Kijk, hier heb ik ook nog een heel klein pistooltje. Het is niet zo dat ik het leven beu ben, maar dan kan ik me door de kop schieten als ze mijn nek willen doorsnijden.' Het districtscentrum van Pansjwaji bestaat uit een kleine bazar met lemen huizen. Er zijn alleen mannen op straat. Het is voor mij onmogelijk vast te stellen wie wie is, maar alles blijft rustig. Op verschillende plaatsen zijn wachtposten, soms met tientallen mannen. We worden vier keer aangehouden. Vanaf een heuveltop worden we in de gaten gehouden door Canadese navo-militairen.

Raffiqi laat zijn uitgestrekte landgoed zien. De granaatappelbomen zijn teruggesnoeid en de remigrant uit Californië heeft drip-irrigatie aangelegd voor de honderden druivenranken. Hij heeft nog wat andere toekomstplannen. 'Ik weet zeker dat er een markt is voor pizza's. Weet jij hoe ik het beste mozzarella kan maken?'

De minst slechte optie

Het bloedvergieten in Zuid-Afghanistan zal voorlopig niet minder worden. Het Afghaanse leger en de politie hebben niet voldoende manschappen en worden door de bevolking als onbetrouwbaar gezien. Op de Nederlandse basis in Tarin Kowt is kolonel Hans van Griensven heel duidelijk. Wanneer denkt hij dat de wegen in Uruzgan veilig zullen zijn? 'Dat gaat nog heel lang duren, nog jaren.' Volgens hem heeft het Afghaanse leger nu ongeveer 260 man in heel Uruzgan. Dat is nog maar de helft van de 500 die vorig jaar geteld werden door tlo. Geen wonder dat de navo graag extra troepen wil voor Afghanistan. Ook een anonieme Nederlandse beleidsadviseur is weinig optimistisch. Hij beschouwt de Nederlandse missie als 'de minst slechte van een aantal slechte opties'.

prt-hoofd Van den Tempel in Deh Rawood geeft toe dat nog niet veel van reconstructie terecht is gekomen. Het gebrek aan veiligheid is één ding, maar hij heeft vooral zijn buik vol van de Afghaanse machtspelletjes. Na lang overleg hadden de stamoudsten in het gebied een leider aangewezen, maar de nieuwe gouverneur van Uruzgan, Abdul Hakim Munib, heeft zelf een districtshoofd benoemd. Van deze Rauf heeft Van den Tempel geen hoge pet op: 'Als hij geen autonoom zenuwstelsel had, zou hij vergeten te ademen.'

De dag na het bezoek van stamoudste Ibrahim Akhundzada aan de Nederlanders in Kamp Hadrian, gaat een patrouille 'netwerken' in een paar dorpjes in de buurt. Het is al lente, een groene sluier ligt over de fruitbomen en graan en papaver staan al stevig in de natte klei. Log door de last van de scherfvesten glibberen de militairen over de dijkjes die langs de irrigatiekanalen lopen. Ze bewaren met moeite hun evenwicht.

Vandaag is het theekransje bij weer een andere lokale machthebber met wie al een goede relatie is opgebouwd. En dus kunnen scherfvesten, modderlaarzen en wapens achterblijven op het binnenerf. Binnen bij de groene thee met suikeramandelen komt gastheer Padshah met zijn klachten: hij was door de politie gearresteerd en in de gevangenis van Deh Rawood zijn zijn wapens en kleren afgepakt. Die heeft hij nog steeds niet terug en nu kan hij niet eens naar de bazar want zijn vijanden loeren op hem. De Nederlandse kapitein, die anoniem wil blijven, begrijpt zijn probleem. 'Ik heb al aan onze commandant gevraagd om met de politiechef te praten en op de een of andere manier gaan we proberen zijn spullen terug te krijgen', zegt de kapitein via de tolk. 'Het probleem is het ontbreken van een wapenregistra- tie. Ik ken hem en weet dat ik hem en zijn mannen kan vertrouwen, maar mijn collega's niet.'

Padshah wil graag dat zijn mannen ingehuurd worden op de wachtposten die in de Tangi-vallei opgezet worden. De baantjes zijn bij alle clans erg gewild, maar er zijn veel beschuldigingen dat de gewapende mannen ook drugstransporten begeleiden en overvallen plegen. De kapitein probeert Padshah wat af te remmen: 'Er is veel belangstelling en we hebben niet zoveel posten.' De broer van Padshah mengt zich in het gesprek. Ook deze Taza Gul, een vlezige dertiger met wijduitstaande haardos en een morsige lichtblauwe shalwar kameez, wil graag samenwerken met de Nederlanders. Hij begint direct te fulmineren tegen Ibrahim Akhundzada, die gisteren bij het prt langskwam om een checkpoint op te eisen. 'Dat is een rat en een verrader. Vraag het aan iedereen in de bazar en hij zal hetzelfde vertellen: Akhundzada is een onbetrouwbare stiekemerd.' 'Hm', zegt de Nederlandse kapitein. 'Heeft hij niet ook een post bij Chan Barak?'

'Jawel. Ze krijgen munitie van de Amerikanen, gaan 's nachts de heuvel op en schieten alle kogels de lucht in.' De volgende dag gaan ze dan nieuwe kogels vragen aan de Amerikanen, zegt Taza Gul. 'Dan zeggen ze dat ze slag hebben geleverd met de Talibaan.' De kapitein moet er hard om lachen. 'Het lijken mijn soldaten wel! Nee, vertaal dat trouwens maar niet. Ha, ha! Da's wel een goed verhaal.'

Door de regen en over de smalle modderpaden gaat de patrouille die middag op weg naar een volgend dorpje om daar wat hearts & minds te bewerken. Ik loop op met de kapitein want ik heb nog een vraag voor hem. Waarom was die Padshah nou eigenlijk in het gevang beland? 'Hij heeft een keer vastgezeten voor een vergrijp'. Wat was dat dan voor vergrijp? 'Een moordpartij waar hij bij aanwezig was, maar hij was niet de hoofddader.'

Het is al laat, de mannen zijn doorweekt. Het feestje dat vandaag op de basis wordt gegeven voor de 'mid-term' is vast al begonnen.

Antoinette de Jong is journalist, Robert Knoth is fotograaf.

Zij werken regelmatig voor M.

Een serie radio programma's over de reis door Pakistan en Afghanistan is nog te beluisteren via www.deochtenden.nl

Buitenlandse legers vechten in Afghanistan andere conflicten uit dan de Afghanen zelf.

Pakistaanse zakenlieden injecteerden in 1994 het eerste geld in de Talibaanbeweging.

Het Afghaanse leger en de politie worden door de bevolking als onbetrouwbaar gezien.