Groot, ruim, winderig en ruw

patricia van ulzen – dromen van een metropool. de creatieve klasse van rotterdam 1970 – 2000, uitgeverij 010, rotterdam, 238 blz., 29,50 euro. erasmus universiteit rotterdam, 2 februari 2007. promotor: prof. dr. m. halbertsma

Het is een van de mooiste uitzichten die ik ken. Vanuit het zuiden rijdend over de Van Brienenoordbrug kijken naar de skyline van Rotterdam in het licht van de ondergaande zon. Je moet over de Nieuwe Maas al terug gaan naar Frankfurt om een nog indrukwekkender skyline te vinden, maar daar is dan weer niet zo’n hoge brug. Die maakt het verschil, want in Frankfurt kijk je op tegen de wolkenkrabbers en in Rotterdam heb je het overzicht. Als je de stad ingaat, valt het allemaal weer wel een beetje tegen, omdat je dan pas ziet hoeveel saaie laagbouw en kleinschalige truttigheid er tussen de hoge torens staat. Het ergste zijn natuurlijk de onzinnige kubuswoningen van Piet Blom.

Het pleit voor Patricia van Ulzen dat ze in haar hele proefschrift met geen woord rept over deze nachtmerrie voor iedereen die over Rotterdam als metropool droomt. Uit alles blijkt dat ze niets moet hebben van de pogingen in vooral de jaren zeventig om van Rotterdam een gezellige stad van pleintjes, huisjes en cafeetjes te maken. Rotterdam is groot, ruim, winderig en een beetje ruw en de mensen van Rotterdam willen dat ook zelf zo. Althans, de ‘creatieve klasse’ wil dat, de gewone Rotterdammer waarschijnlijk toch wat minder. Want die vindt de Mevlana-moskee met zijn twee witte minaretten het mooiste gebouw van de stad en niet de torens van Nationale Nederlanden, het Westin-hotel of Montevideo.

Dit is een leuk boek om te lezen en ook om in te kijken, want het zit vol met bijzondere foto’s die als bewijsstukken functioneren in het verhaal dat Rotterdam over zichzelf als would-be metropool wil vertellen. Het zijn de klassieke Cas Oorthuys foto’s van havenactiviteit en wederopbouwdynamiek in zwart wit, maar ook de panoramische kleurenbeelden van stadsfotograaf Paul Martens, die het moderne Rotterdam de allure van een wereldstad geven. Er zijn stills opgenomen uit in Rotterdam gedraaide actiefilms, affiches van typisch Rotterdamse manifestaties en advertenties van café’s die bij het nieuwe Rotterdam horen: groot, glanzend, helder verlicht. Het zijn geen illustraties, ze zijn een integraal onderdeel van een betoog, dat zich niet afvraagt of Rotterdam wel een metropool is, maar hoe de stad zich een grootstedelijke identiteit heeft weten te verwerven. Dat is pas vrij recent het geval en dat wreekt zich ook wel in de bewijsvoering. De afstand in de tijd is nog erg kort en iedere distantie ontbreekt. Voor latere geschiedschrijvers is dat in veel opzichten een voordeel, niet het minst omdat Patricia van Ulzen met de vanzelfsprekendheid van de tijdgenoot schrijft over de punk en new wave-groepen die Rotterdam in de afgelopen jaren hebben aangedaan en de dresscode van het publiek bij die gelegenheden.

Hoge en lage cultuur, horeca en kunst, politiek en architectuur, mode en reclame, het wordt zonder terughoudendheid als nauw verweven met elkaar gepresenteerd. Jules Deelder, de ‘nachtburgemeester’van Rotterdam, is het symbool van het nieuwe Rotterdam dat zich afzet tegen iedere neiging om de stad te ‘veramsterdamsen’. Verkeer, hoogbouw, neonlicht, havens, dat is de wereld van de moderne grote stad en dat levert ook een eigen esthetiek en cultuurbeleving op. Al lang voor de oorlog was Rotterdam een stad die trots was op zijn hoogbouw – het Witte Huis, het gebouw van het Electriciteitsbedrijf – , op zijn stalen bruggen en hijskranen, en natuurlijk ook op een icoon van de modernistische architectuur als de Van Nelle-fabriek. Na de oorlog vindt het ideaal van de moderne grote stad zijn belichaming in het winkelcentrum De Lijnbaan, de nieuwe Bijenkorf en de Euromast, die het waarmerk van Rotterdam zal blijven tot de Erasmusbrug van Ben van Berkel die functie overneemt.

In de jaren zestig keert Rotterdam zich van het modernisme af om pas in de jaren tachtig weer in het oude spoor terug te keren. De aanblik van de stad verandert dan snel en de grote schaal en de strakke vorm worden weer meer gewaardeerd. Met een zeker recht zou je zelfs kunnen stellen dat het succes van de nieuwe aanpak zo groot is, dat Amsterdam nu lijkt te ‘verrotterdamsen’: de stad opent zich naar het Y en zet daar grote, bewust zeer modern vormgegeven gebouwen neer, terwijl de Zuidas de concurrentie met het Weena aangaat. De angst voor de grote schaal lijkt geheel verdwenen.

Het gaat in de studie van Patricia van Ulzen zeker niet alleen om stedenbouw en architectuur, al is daarin het verhaal van de metropool het gemakkelijkst herkenbaar. In navolging van Richard Florida laat zij zien hoe een creatieve klasse van kunstenaars, horeca-ondernemers, wetenschappers, organisatoren van evenementen en ten dele ook politici en ambtenaren bezig zijn geweest Rotterdam een eigen cultureel, aanvankelijk vooral subcultureel, klimaat te geven. Poetry International en het Filmfestival horen daar net zo goed bij als Hotel New York en houseparty’s. In het verlengde daarvan slaagde Rotterdam er uiteindelijk ook in om, onder nadrukkelijke verwijzing naar de voorlopersfunctie, op cultureel gebied ook het Architectuurinstituut en straks ook het Fotomuseum naar zich toe te halen.

Een studie als deze laat toch nog veel vragen open. De rol van het gemeentebestuur blijft toch wat onduidelijk.

Veel activiteiten zijn mede mogelijk gemaakt dankzij steun van sommige wethouders of de burgemeester. Toch lijkt de verbinding met de gevestigde en grotendeels ook door de gemeente gefinancierde kunstsector, met uitzondering van de zich zeer onafhankelijk opstellende Rotterdamse Kunststichting, nauwelijks gelegd te zijn. Evenmin is duidelijk of er in de praktijk van enige samenwerking – of ook tegenwerking – sprake is geweest. Hoewel een groot deel van de Rotterdamse bevolking van allochtone herkomst is, lijkt de creatieve klasse alleen uit het hoogopgeleide autochtone deel van de bevolking gerecruteerd te zijn. Dat roept dan tenslotte ook weer de vraag op naar de mate waarin de dromen van een metropool ook de dromen van de gewone Rotterdammers zijn of worden. Hoe staat het eigenlijk met het publiek voor het werk van de creatieve klasse?