Gewilde zendelingen

Don en Kate geven Engelse les aan zeer leergierige studenten.

Don en Kate Foto Carolijn Visser Visser, Carolijn

Nadat de trein uit Shanghai in Fuyang gearriveerd was, in het noorden van de arme provincie Anhwei, stroomden een paar duizend passagiers het perron op. Ik liet me meevoeren naar de uitgang. De meeste reizigers hadden de hele nacht opgezeten. Bleek trokken ze hun bagage op wieltjes voort. Buiten stuitten we op een zee van andere mensen. Ze zaten op tassen, speelden kaart of waren ingedut.

In de trein was me verteld dat het druk was op het spoor, omdat het oogsttijd was. Boeren die in de stad waren gaan werken, kwamen tijdelijk naar huis om te helpen op het land. Een grote massa had het graan en de maïs al binnen, en ging nu weer terug naar de bouwsteigers van Shanghai en Nanjing. Zou ik het Amerikaanse echtpaar hiertussen ooit vinden? vroeg ik mij vertwijfeld af, maar dat was geen enkel probleem.

Als bewoners van een andere planeet staken ze ver boven de Chinezen uit. Kate met haar opvallende grijze kapsel, Don gekleed in een fel gekleurd hawaïshirt. Zij waren naar Fuyang gekomen als zendelingen voor een Amerikaanse Presbyteriaanse kerk. Niet om te preken vanaf een kansel, maar om Engelse les te geven op de plaatselijke universiteit. „Waar is het centrum?”, vroeg ik toen we lang onderweg waren in een taxi. Kate antwoordde: „Daar waar McDonald’s is, en KFC, zouden onze studenten zeggen.”

Op de campus was het zo druk dat we achter elkaar moesten lopen. „Tienduizend jongens en meisjes studeren hier”, zei Don. „Maar de leerlingen van de middelbare school hiernaast, dat zijn er ongeveer net zoveel, komen ook over dit terrein.” Het huis waar de Amerikanen woonden was een oase van rust. Granitovloeren glansden, alles was schoon. Kate had ramen en kieren met plakband dichtgemaakt om stof en muggen buiten te houden. Airco’s hielden de kamers koel.

Die avond was er een bijeenkomst van de ‘English Corner’, een groep studenten die hun uitspraak wilden verbeteren. Don en Kate waren daar altijd eregast. We gingen naar de nieuwe ‘West Campus’. Toen die gereedkwam, twee jaar geleden, was daarmee de capaciteit van de universiteit in een klap verdubbeld, vertelt Don. Over een marmeren plein bereikten we een hoge hal waar zich honderden jongens en meisjes, gekleed in spijkerbroek en T-shirts, verzameld hadden.

Rond Don, Kate en mij vormden zich dicht samengepakte groepen. Twintig keer moest ik de vraag ‘where are you from?’ beantwoorden. En: „Can you eat with chopsticks?” Elke keer dat ik me omdraaide, stond er weer iemand met een dringende vraag: „Do you like Chinese food?” De ijver waarmee de studenten zich vastbeten in moeilijke woorden, had iets beangstigends. Iedereen wilde ons buitenlanders te spreken krijgen, maar dat was onmogelijk, al bleven we tot middernacht. Het begon mij te duizelen, maar in de verte zag ik Don en Kate vriendelijk lachen en geduldig alles nog eens herhalen.

Op de terugweg werden Don en Kate begeleid door studenten die hun tas en hun jas voor hen droegen. „Zo gaat het altijd”, zei Kate goedmoedig. „Dit is de enige avond waarop ook studenten aan wie wij geen les geven ons kunnen benaderen. De meesten komen uit afgelegen dorpen, ze hebben nog nooit een buitenlander van dichtbij gezien.”

Achteromkijkend zag ik dat de groep jongens en meisjes die ons volgde groeide. „How old are you?”, wilde iemand weten. „Where are you from?” Kate vervolgde rustig: „’s Winters is het ijskoud in die hal maar dan komen zo ook allemaal.” Don voegde toe: „Dan staan we daar de hele avond met onze jassen en wanten aan.”

Aangekomen voor het huis van de Amerikanen nam de stoet studenten afscheid. Toen de deur achter ons dichtviel, had ik de indruk dat we een opkomende vloed hadden buitengesloten. „Hèhè”, verzuchtte Kate toen ze zich vermoeid liet neervallen op een bank. „In de stad zijn vijftien middelbare scholen die ons allemaal uitnodigen om hun leerlingen een keer te ontmoeten.” Honderdduizend kinderen zouden dat zijn. „Daar kunnen we niet aan beginnen”, zei ze spijtig. Toen zij en Don naar de protestante kerk gingen in de stad, vroegen alle gelovigen Engelse les voor hun kinderen. Ze waren nooit meer teruggeweest. Zo was het christelijke geloof ongemerkt uit hun leven verdwenen. „Tijdens de lessen is het streng verboden er een woord over te zeggen”, zei Kate. „Daar houden we ons natuurlijk aan.”

„Elk jaar nodigen we wel al onze studenten uit voor Kerstmis”, vulde Don aan. Vijfhonderd jongens en meisjes trokken die twee dagen door hun kleine huis. In groepjes van twintig mochten ze allemaal een half uur blijven. Don : „We hebben het toen lekker warm gestookt, maar ze doen hun jas niet uit.” Kate: „De meesten zeggen niets. Je ziet hun ogen heen en weer schieten en alles in zich opnemen: de versierde kerstboom met echte kaarsen, ons westerse interieur.” „Ze krijgen allemaal een glas chocolademelk en een koekje”, zei Don. Ik kon me de logistiek van dat alles haast niet voorstellen. „We geven alleen les aan de eerstejaars”, zei Kate. „Als we nog twee jaar blijven, zijn alle studenten hier ooit een keer geweest.” Don voegde toe: „Alleen de studenten van de Engelse sectie, natuurlijk.”