Falende grazers 4

De werkelijke ontwikkeling in begraasde natuurgebieden is gelukkig veel positiever dan geschetst in `Falende Grazers`. Begrazing vindt met beleid en in de vorm van maatwerk plaats. En begrazing werkt. In een onlangs uitgevoerde inventarisatie van begraasde natuur bij Natuurmonumenten (80 gebieden met een oppervlakte van ruim 27.000 ha) bleek dat begrazing in 88% van de gebieden leidde tot instandhouding of zelfs verbetering van de flora en fauna.

Wat er thans in Nederland nog resteert aan biodiversiteit van weleer is grotendeels gebonden aan eeuwenlang begraasde leefgebieden. Heide, uiterwaarden, kalkgraslanden, droge duingraslanden, rivierduinen, hoge kwelders en struweellandschappen zijn stuk voor stuk producten van begrazing.

Het artikel geeft een ongenuanceerd en op veel punten onjuist beeld van de visies die natuurbeheerorganisaties hebben op begrazing. Het lijkt of er alleen maar voor- of tegenstanders van begrazing zijn. De werkelijkheid is genuanceerder. Het voor of tegen is meestal gekoppeld aan de wijze waarop begrazing plaatsvindt. Natuurmonumenten gaat selectief om met begrazing. In cultuurlandschappen werken we niet met Schotse hooglanders, maar met inheemse oude veerassen als lakenvelders of schoonebeeker schapen. Bij een beheerstrategie waarbij natuurlijke processen centraal staan, streven we ernaar om de diverse soorten herbivoren als rund, paard, schaap, edelhert, ree en wild zwijn (elk met hun eigen graasgedrag) als onderdeel van het ecosysteem in te zetten. En dat in populaties die zoveel mogelijk zelfregulerend zijn.

De geciteerde onderzoekers begaan de denkfout dat het inzetten van grote grazers bedoeld zou zijn om het oorspronkelijke oerlandschap te herstellen. Begrazing is echter in vrijwel alle natuurgebieden in Nederland bedoeld om halfnatuurlijke en natuurrijke cultuurlandschappen te onderhouden. Slechts in een zeer beperkt aantal gebieden (onder meer Veluwezoom, Oostvaardersplassen) wordt gestreefd naar meer natuurlijk landschap.