Falende grazers 3

`Falende grazers` schetst een ongenuanceerd beeld van begrazing in natuurterrein. Indien de auteur de recente internationale wetenschappelijke literatuur gelezen had zou hij vooral positieve effecten van extensieve begrazing op zowel flora en fauna vermeld zien worden. Verder is de auteur kennelijk slecht geïnformeerd: een beetje ecoloog weet dat een grote grazer als een paard, koe of wisent nooit de rol van de selectieve kleine grazer als een konijn kan overnemen. Bovendien wordt de wisent niet als `goedkope maaimachine` naar Nederland gehaald; het gaat hier om een kleinschalige inzet van enkele dieren in een terrein met als doel ervan te leren, en zo de inzet in grotere terreinen voor te bereiden. De auteur gaat echter vooral de mist in doordat hij de belangrijkste (overigens niet genoemde) hoofddoelstellingen van begrazing in Nederland door elkaar haalt. Het inzetten van grazers gebeurt ten eerste omdat we in sommige delen van Nederland al lang geleden hebben besloten dat we het oude cultuurlandschap met zijn karakteristieke soorten, waardevol vinden. Om dit landschap met specifieke soorten te behouden of terug te krijgen wordt het oude landgebruik, met succes, toegepast. Begrazing hoort hier bij, omdat het een essentieel onderdeel van de oude landbouwbedrijfsvoering was, en specifieke ecosystemen (zoals heide of veenweide) er mee verbonden zijn. De discussie over hoe het oerlandschap van Nederland er 9.000 jaar geleden uitzag is voor deze vorm van natuurbeheer niet relevant.

Ten tweede worden grazers in een beperkt aantal natuurterreinen ingezet om spontane, grootschalige natuurlijke processen en de daaraan gerelateerde planten- en diersoorten soorten te behouden. Zo duidt bijvoorbeeld de grote diversiteit van grazer-gebonden insekten als mestkevers en doodgravers en de vele stekelige plantensoorten in dergelijke terreinen op een lange co-evolutie met grote herbivoren. Willen we dergelijke typische aangepaste soorten en bijbehorende natuurlijke processen behouden, dan moet er begraasd worden.

Tenslotte willen we opmerken dat natuurlijke ecosystemen dynamisch zijn. Het is dus niet erg als een vorm van beheer of ontwikkeling leidt tot het verdwijnen van soorten, als die soorten elders maar weer een kans krijgen. Het grootste punt van zorg is om nog voldoende grote terreinen veilig te stellen om dergelijke natuurlijke processen nog hun gang te laten gaan. Maar soms lukt het in verrassend kleine terreinen, en soms lukt het niet in terreinen die voldoende groot lijken. Van dergelijke successen en mislukkingen moeten we leren, zonder de grazer met het badwater weg te gooien, zoals Zeilmaker probeert.