Eindelijk Wild Wonen

Precies tien jaar geleden werd het Wilde Wonen in Nederland geïntroduceerd. Er is niet veel van terechtgekomen. De doorbraak kan alsnog komen. Almere laat de komende 25 jaar de helft van de nieuwe woningen door particulieren bouwen. Carel Weeber, geestelijk vader van het Wilde Wonen, blikt terug. „Op Curaçao heb ik in een half jaar mijn huis laten bouwen.” Adri Duivesteijn, wethouder wonen in Almere, blikt vooruit. „Het Wilde Wonen is een herstel van de band tussen bestuur en burger.”

Zou het dan toch nog wat worden met het Wilde Wonen in Nederland? Als het aan Almere ligt wel. Onlangs maakte de snelst groeiende gemeente van Nederland bekend dat zij ruim baan wil geven aan het particuliere opdrachtgeverschap in de woningbouw, zoals het Wilde Wonen officieel bekendstaat. Van de 60.000 woningen die hier tot 2030 worden gebouwd, zal de helft worden neergezet op vrije kavels. Het nieuwe Almeerse woningbouwbeleid is een radicale breuk met de huidige praktijk: de laatste jaren bestond de woningproductie voor slechts vijf procent uit door particulieren gebouwde woningen. Dit is minder dan de helft van het landelijk gemiddelde.

Precies tien jaar geleden legde Carel Weeber, het enfant terrible van de Nederlandse architectuur en toenmalig voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA), een tijdbom onder de Nederlandse woningbouw. Weg met het rijtjeshuis, riep Weeber in een interview in deze krant onder de kop Het Wilde Wonen. Het rijtjeshuis, het bekendste product van de 20ste-eeuwse Nederlandse woningbouw, die werd beheerst door woningbouwverenigingen en projectontwikkelaars was achterhaald, vond hij. Net als in de rest van de wereld werd het ook in Nederland hoog tijd dat iedereen die dat wil, een kavel kan kopen en daar een huis op bouwt.

Projectontwikkelaars, woningbouwverenigingen en ook architecten reageerden verbijsterd op Weebers pleidooi voor de afbraak van de wereldberoemde Nederlandse woningbouw. Maar het Wilde Wonen paste wonderwel bij de golf van liberaliseringen en privatiseringen die in het tijdperk van de globalisering ook over Nederland spoelde. Al in 1998 nam de Tweede Kamer een motie van PvdA-afgevaardigde Adri Duivesteijn aan om voortaan eenderde van de nieuwe woningen te laten bouwen door particulieren. De motie bleek niet onmiddellijk uitvoerbaar, maar twee jaar later stond ook in de nota Mensen Wensen Wonen van de toenmalige staatssecretaris voor volkshuisvesting Johan Remkes dat vanaf 2005 eenderde van de woningproductie moest bestaan uit particulier gebouwde huizen.

Toch is er ondanks de verheffing van het Wilde Wonen tot regeringsbeleid weinig terechtgekomen van Weebers revolutie in de Nederlandse woningbouw. Sterker nog, het aantal door particulieren gebouwde woningen nam de afgelopen jaren juist af. Weliswaar hebben bijna alle Vinexwijken, de nieuwste Nederlandse buitenwijken, nu een buurtje met vrije kavels, maar het aandeel Wilde Woningen in de jaarlijks woningproductie daalde van 17 procent in 2000 naar 11 procent in 2005.

Carel Weeber wijt de mislukking van zijn revolutie aan de ongebroken macht van de ‘instituties’ in de woningbouw. „Projectontwikkelaars die de bouwgrond in handen hebben, werken natuurlijk niet mee aan het Wilde Wonen”, zegt Weeber over de telefoon vanuit Curaçao, zijn geboorte-eiland waar hij zich een jaar geleden vestigde en een huis liet bouwen. „Ze bouwen liever zelf woningen, daar verdienen ze tenslotte hun geld mee.”

Toch willen veel Nederlanders het liefst hun eigen huis bouwen. Volgens het Woningbehoeftenonderzoek uit 2002 heeft bijna veertig procent van degenen die naar een koophuis willen verhuizen, belangstelling voor het bouwen van een eigen huis. Vooral het gebrek aan bouwkavels die bovendien heel duur zijn, weerhoudt hen hiervan.

Degenen die er wel in slagen een bouwkavel te bemachtigen, hebben een opvallende voorkeur voor catalogushuizen in een of andere traditionele stijl. De angst van veel tegenstanders van het Wilde Wonen dat het zou leiden tot ‘Belgische toestanden’ is niet bewaarheid, zo is te zien in de Wilde-Wonenbuurtjes. In het buurtje van Nesselande in Rotterdam waar kavelkopers zonder enige bemoeienis van een welstandscommissie huizen mochten bouwen, wemelt het bijvoorbeeld van ‘jarendertighuizen’ en zijn experimenten de uitzondering. Weeber vindt dit volkomen begrijpelijk. „Het is een misvatting dat het Wilde Wonen leidt tot een kakofonie”, zegt hij. „De meeste mensen willen helemaal geen spectaculaire architectuur, ze willen een heel gewoon huisje. Dat is helemaal niet erg. Wel bezwaarlijk is dat ze op veel te kleine kavels staan. In Nesselande staan er bijvoorbeeld steeds vier op een eilandje gepropt. Dat is geen gezicht.”

Tot nu toe is er maar één plek in Nederland waar het Wilde Wonen op grote schaal bestaat: Roombeek. Nadat deze Enschedese wijk in 2000 door een ontploffende vuurwerkfabriek vrijwel van de aardbodem verdween, besloot de gemeente de wijk voor de helft door particulieren weer op te laten bouwen. Niet alleen kunnen Roombekers tientallen kavels kopen waar een villaatje op past, maar ook kunnen ze ‘herenhuizen’ laten bouwen die een gevelwand vormen. „Maar echt wild is het wonen in Roombeek voor het grootste deel toch niet”, zegt Weeber die zich nu ex-architect noemt en Carlos als voornaam heeft. „Voor de meeste huizen gelden toch weer allerlei regels waaraan ze moeten voldoen.”

En dan is er nu Almere dat de komende 25 jaar Nederlands hoofdstad van het Wilde Wonen wil worden. Volgens Weeber zou dit kunnen betekenen dat de tijdbom van het Wilde Wonen alsnog afgaat. „De plannen van Almere voor particulier opdrachtgeverschap kunnen de doorbraak van het Wilde Wonen in Nederland worden”, zegt hij. „Wethouder Duivesteijn heeft in Almere de instituties nu grotendeels buitenspel gezet in de woningbouw. Als dat goed gaat, is de kans groot dat andere gemeentes zullen volgen. En als stedenbouwkundigen in Almere zien dat je met Wild Wonen goede woonwijken kunt maken, zullen ook zij volgen.”

Weeber is optimistisch over de toekomst van het Wilde Wonen in Nederland. „Het Wilde Wonen is onvermijdelijk”, zegt hij. „Overal in de wereld kun je heel eenvoudig een huis laten bouwen. Hier op Curaçao heb ik in een half jaar tijd mijn huis laten bouwen en er is geen ambtenaar komen kijken. Zelfs in vroegere communistische landen als Rusland is het eenvoudiger om een huis te laten bouwen dan in Nederland. Het zal ook nog wel even duren voor de macht van de instituties vermindert. Na de invoering van de Woningwet in 1901 duurde het tenslotte ook twintig jaar voor de woningbouwverenigingen voldoende waren opgetuigd om grote aantallen sociale huurwoningen te bouwen. Het aftuigen kost ook tijd. Maar dat het Wilde Wonen ook in Nederland gewoon wordt, staat vast.”