Downforce

Wat heeft de Ronde van Vlaanderen meer dan de Amstel Goldrace? Kasseien en cafés. Meer volk ook. Wat l’Alpe d’Huez is voor Nederlanders is de Ronde voor Belgen: iedereen in lompen, iedereen zot van bier en patat.

Als een Belg de Ronde van Vlaanderen wint, is hij voor de rest van zijn carrière een topcoureur. Zo wordt hij ook betaald, al rijdt hij geen platte prijs meer. Een Nederlander die de Amstel Goldrace wint, heeft nog niets bewezen. Hij moet ook schitteren in Luik-Bastenaken-Luik en vooral in de Tour. Nederland heeft kennelijk een hekel aan eendagsvliegen. Het is een ouderwetse opvatting van wielrennen.

Het hele peloton is seizoen geworden. De een piekt naar de lenteklassiekers, de ander naar het najaar. De mannen van de zomer zijn het godganse jaar afwezig, met aftrek van drie weken Tour of Giro. Wie niet piekt, bestaat niet in het hedendaagse wielrennen.

De selectieve prestatiedwang heeft het begrip ‘compleet renner’ afgebladderd. Een renner als Hennie Kuiper die het hele kalenderjaar omnipresent was, bestaat niet meer. Fietsen is niet langer beulenwerk.

De norm van het succes is nu Oscar Freire: drie, vier keer een grote koers winnen, en dan naar huis. Wereldkampioen van atomen. Voor Oscar zijn vier dagen van glorie per jaar genoeg, voor zijn sponsor ook. Er kleeft geen spat nagedachtenis aan Freire. Hij is niet van het volk, niet in Spanje, niet in Nederland. In Zwitserland, waar hij woont, weet geen hond van zijn bestaan. Oscar heeft gekozen voor het lot van de stuntman die even snel verdwijnt als verschijnt. Daar kun je rijk van worden, maar niet in parels van legende- en mythevorming.

Eigenlijk is Michael Boogerd de laatste stoemper in het Nederlandse cyclisme. Altijd bereid te sterven, in de Waalse Pijl en de Amstel, later in de Tour en in Lombardije. Boogerd als residu van Kuiper: eerst doodvallen, dan lullen. Vroeger vergiste hij zich soms in de volgorde, maar die tijd is voorbij. Hij is ernstig verinnerlijkt. Bij vlagen ook nog tot een zweem van melancholie.

Wat zou het mooi zijn als Boogerd, vóór het grote afscheid, nog een klassieker zou winnen. Ik gun hem morgen met twee handen de Ronde van Vlaanderen. Zelf gelooft hij er niet in. Te licht van gewicht, zegt hij. „Een wat zwaardere renner als Tom Boonen stuitert minder, ligt vaster op de kasseien. Hij heeft meer downforce.”

Downforce?

Is dat nog wielertaal? Ik heb het Jan Raas en Hennie Kuiper nooit horen zeggen. Zelfs de latere generatie Rooks-Theunisse zou bij god niet weten waar dat zit, downforce. Ergens onder het zadel, wellicht. Maar goed, zij gingen ook nog zonder laptop naar de Ronde van Murcia. De hele meute is nu verlaptopt, en dat scheelt in de binnentaal van het peloton. Zou er nog wel een typische binnentaal zijn?

Je ziet steeds meer intellectuelen op de fiets. Communicatiedeskundigen, ingenieurs, pedagogen. Er rijdt zelfs een heuse arts mee. Niet in de volgwagen, op de fiets. Daarmee is niet gezegd dat de gesprekken in de rennershotels tijdens de Driedaagse van De Panne over Einstein gingen. Nee, de onderwerpen liggen vast voor de eeuwigheid: vrouwen en auto’s. In een enkele conversatie zwermen nog de nieuwste dopingproducten uit, maar dan zijn vooral de afgestudeerden van de basisschool aan het woord. De renner-arts zal zich niet laten betrappen op een schending van het beroepsgeheim.

Nog steeds zie je langs het parcours van de Ronde mensen in de bomen hangen. Op de Oude Kwaremont krijgt de arbeidersklasse weer een gezicht. De Ronde van Vlaanderen blijft het massafeest van les petits gens, ooit zo prachtig bezongen door Jacques Brel. In de viptent aan de finish wordt dat anders. Daar wemelt het van reclamejongens, bankiers, mediafiguren, prinsen en prelaten. En zeker nu er op 10 juni in België verkiezingen zijn, zullen ook de Kamervoorzitter, ministers en partijbonzen zich dubbel plooien om gezien te worden. De Vlaamse minister-president Yves Leterme wringt zich al na de minste kermiskoers per elleboogstoot op de foto met de winnaar. Hij zal in Meerbeke niet ontbreken op het podium, als glundermachine naast Tom Boonen. In de negenendertig interviews die volgen, zal hij de schoonheid bezingen van de Bosberg en de Muur, van de downforce van Boonen en de explosiviteit van de oude Van Petegem. Een Italiaan die de Ronde wint? „Heiligschennis, meneer!”

Dries van Agt was een amateur in de jubel.