De stamtrots van de Vlamingen

De Flandriens hebben nooit bestaan. Zeker niet zoals (vooral Vlaamse) wielerliefhebbers ze zich herinneren. Ook voor schrijver Herman Chevrolet (50) was die ontdekking een kleine schok.

Flandrien: ‘wielrenner die behalve door een fysieke kracht gekenmerkt wordt om in ongunstige (weers)omstandigheden zijn strijdlust te behouden en daardoor uitermate geschikt is voor het rijden van de Vlaamse voorjaarsklassiekers.’ Zo staat het in de Van Dale, editie 2005, en het is ook het idee waar Herman Chevrolet, een naar Amsterdam uitgeweken West-Vlaming, mee opgroeide. Vlaamse renners wonnen altijd en overal, zo kreeg hij het in Tielt van huis uit mee. „Ik ben opgegroeid in de tijd van Eddy Merckx, Roger de Vlaeminck, Walter Godefroot. Won de ene niet, dan won de andere. Een uitzonderlijke periode. Maar ik wist niet beter dan dat het altijd zo was geweest.”

Ook Chevrolet zocht het begrip Flandrien op in Van Dale. Helaas in de editie 2006. Toen was het lemma alweer verdwenen, het staat ook niet in de uitgebreide Woordenlijst der Nederlandse taal. Daarom begint zijn boek met de opmerking dat het woord Flandrien niet eens voorkomt in het woordenboek. Een detail, maar voldoende voor sommige critici om het ongelezen weer weg te leggen. Daardoor missen ze een rijk gedetailleerde geschiedenis: over Vlaamse boerenzonen die voor de Eerste Wereldoorlog en tijdens het interbellum aan de armoede ontsnapten via het wielrennen, over de niet altijd even fraaie praktijken van Karel van Wijnendaele, de stichter van de krant Sportwereld en grondlegger van de wielerklassieker Ronde van Vlaanderen, die morgen weer wordt gehouden.

Raar vond Chevrolet het wel, toen hij in de archieven van Corelio, de huidige uitgever van Het Nieuwsblad/Sportwereld, ontdekte dat de Flandriens niet aan zijn droombeeld beantwoordden. Hij wilde op basis van zijn verhaal in wielertijdschrift De Muur een geschiedkundig werk schrijven, niet aan demystificatie doen. „Ik schreef als het ware mijn eigen droom aan diggelen. Maar ik hoef niemand te beschuldigen. Ik heb het zelf gedaan. Al was het even slikken toen ik ontdekte dat mijn idolen van voor de Tweede Wereldoorlog niet allesoverheersend waren. Het waren ordinaire meelopers, provinciale kermiscoureurs. Bovendien, de renners die wel wonnen, zoals Paul Deman, voldoen op geen enkele manier aan het beeld van ploeterende, zwoegende renners met wie ik ben opgegroeid. Ze waren sluw, afwachtend. De renners die wel voldeden aan het beeld, die altijd stomweg op kop reden, zoals Ritten Vanlerberghe, wonnen zelden. Vanlerberghe won twee koersen, één keer de Ronde van Vlaanderen.”

Zonder Karel van Wijnendaele was er van Flandriens nooit sprake geweest. Hij nam het begrip over van de Fransen en de Walen, die het gebruikten als scheldwoord voor de gastarbeiders uit Oost- en West-Vlaanderen. Het werd een geuzennaam, die Van Wijnendaele gaf aan een kleine groep baanwielrenners. Voor coureurs op de weg werd de term nooit gebruikt. Bovendien gebruikte Van Wijnendaele het begrip vooral uit zakelijke overwegingen. Hij was niet alleen journalist, maar ook organisator van wedstrijden, eigenaar van een wielerbaan in Torhout, manager van een ploeg en van renners, ploegleider en op een bepaald moment ook scheidsrechter bij wielerwedstrijden. Een man die vaak de grenzen opzocht en er overheen ging. In zijn artikelen ging het zelden over Paul Deman. Die won wel veel, maar weigerde op de piste te rijden, en dus kon Van Wijnendaele er niet aan verdienen.

Anders dan de mythevorming het wil, was Van Wijnendaele niet zo onbaatzuchtig. „Hij zag wel dat Vlamingen aan de armoede konden ontsnappen dankzij het wielrennen. Dat signaleerde en stimuleerde hij, dat is zijn grote verdienste. Maar hij verdiende er ook zelf goed aan. En hij gebruikte het wielrennen in zijn nationalistische strijd. Vlamingen waren goed, hardwerkend. Walen en Fransen waren decadent, verdorven, die gebruikten trucjes. Op die manier wou hij de Vlaming weer ‘stamtrots’ maken, zoals hij het zelf omschreef. In die tijdgeest was dat niet zo raar, het was ook een beetje een achterlijk gebied. Daar schrok ik eerlijk gezegd minder van. Dat had ik een klein beetje verwacht.”

Van Wijnendaele als een soort Guido Gezelle van het wielrennen? „Niet zo bewust, maar dat West-Vlaamse particularisme zat er wel heel diep in. Voor hem telden alleen renners uit West- en Oost-Vlaanderen. Coureurs uit andere provincies bestonden voor hem bijna niet. Dat zou het Vlaamse en Belgische wielrennen nog opbreken, toen in de Tour de France vanaf 1936 met landenploegen werd gereden en Van Wijnendaele werd aangesteld als ploegleider. Er waren toen enkele goede ronderenners, maar ze liepen de eindzege mis door de politiek van Van Wijnendaele, die zijn Vlaamse jongens altijd voortrok.”

In die tijd had Van Wijnendaele ook geen concurrentie. Andere Vlaamse wielerwedstrijden, zoals de Omloop Het Volk en Gent-Wevelgem, ontstonden pas na de Tweede Wereldoorlog. De organisatoren probeerden de Ronde van Vlaanderen te verdringen, maar dat mislukte. Toen was de ronde al te groot, te legendarisch geworden. Van Wijnendaele was ook slim. Toen de organisatoren van de Omloop Het Volk de Muur van Geraardsbergen introduceerden, nam hij die helling meteen op in het parcours van Vlaanderens Mooiste.

Ook morgen passeert de ronde daar opnieuw, en de kans is groot dat commentatoren in Vlaanderen en Nederland op deze plek gewag maken van Fandriens, als renners zwoegend de top bereiken en over de kasseien dokkeren. Hoe dat woord aan zijn nieuwe betekenis is gekomen, is ook voor Chevrolet nog een beetje een raadsel. „Van Wijnendaele gebruikte het op het eind van zijn carrière nog maar zelden. In zijn in memoriam over twee pagina’s in Sportwereld, in 1961, komt het woord helemaal niet voor. Niet één keer. Het dook sporadisch nog wel eens op in de jaren vijftig, maar beleefde een echte revival in de jaren zeventig, toen Vlaamse renners als Roger de Vlaeminck, Walter Godefroot en Johan Demuynck echt alles wonnen wat er te winnen viel. En Flandriens hoefden niet meer uit West- of Oost-Vlaanderen te komen, ook renners uit de Kempen of Brabant werden nu Flandriens.”

Later werd het begrip zelfs gebruikt voor niet-Vlamingen. Fabian Cancellara werd deze week in de krant De Morgen nog als een Zwitserse Flandrien bestempeld. Hoe erg vindt Chevrolet dat eigenlijk? „Ach, het is niet erg, het is geen drama. Het is alleen handig om ook de geschiedenis te kennen, om te weten dat het ooit iets anders betekende. Dat het als het ware de uitvinding is van een persoon, die het woord gebruikte uit idealistisch-nationalistische motieven, maar ook uit commerciële overwegingen.”

Als niet alleen een begrip van betekenis is veranderd, maar ook de mythe van de hardwerkende, alles winnende Vlaamse renner is ontmanteld, is Chevrolet dan zijn liefde voor ‘de koers’ verloren? „Oh, neen. Helemaal niet. Ik vind het nog steeds de mooiste sport. Het wielrennen wordt er zeker ook niet minder interessant door. Het betekent ook niet dat die renners van toen geen fantastische prestaties hebben geleverd, zoals Cyriel Van Hauwaert, die met de fiets naar Milaan reed als training en vervolgens Milaan-Sanremo won. Alleen had hij geen knapzak op de rug en moest hij niet aankloppen bij boerderijen met de vraag om op de hooizolder te mogen slapen. Al zijn hotels waren op voorhand geboekt. Maar wordt het verhaal daardoor minder mooi? Voor mij niet. Het is hetzelfde als met al het nieuws over doping. Ook die dopingverhalen krijgen het wielrennen niet kapot. Als er zondag een groepje op kop rijdt met Tom Boonen, Fabian Cancellara, Filippo Pozzato en Karsten Kroon, zit ik weer op het puntje van mijn stoel en denk ik echt geen seconde aan doping.”

De tijden mogen dan helemaal anders zijn, volgens Chevrolet is het wielrennen niet zo heel veel veranderd. Al is het materiaal dan wat beter en wordt tegenwoordig alles uitgezonden op televisie, wat de mythevorming minder kans geeft. „Maar er wordt nog altijd gekoerst voor het geld. En de Galibier blijft de Galibier, de Muur blijft de Muur. Het is nog steeds een beestenstiel.”

Is de Vlaamse renner anders geworden dan in de vorige eeuw? Neen, meent Chevrolet. „Integendeel. Als er iets is wat me mateloos irriteert, dan is het dat de Vlaamse renner weer in zijn provinciale nest is teruggekropen. Vlamingen presteren van de Omloop Het Volk tot Parijs-Roubaix. Ervoor en erna zie je ze niet. Iedereen heeft daar schuld aan, pers en ploegleiders inclusief. Want er is overdreven veel aandacht voor kleinere koersen. Maar als je in die vijf weken presteert, verdien je wel een jaarcontract. Haal Boonen en Johan Museeuw weg, en dan vallen de prestaties van de laatste vijftien jaar dik tegen.”

Ronderenners heeft Vlaanderen en België al jaren niet meer. „Ze worden er niet op voorbereid. Wim van Huffel werd een klimtalent genoemd, maar reed pas op zijn 26ste of 27ste over de Mont Ventoux. Dan heb je die jongen niet goed begeleid, vind ik. Terwijl ik er zeker van ben dat een renner die meedoet voor de eindzege in de Tour de France iemand als Tom Boonen in populariteit zou kunnen overtreffen. Ik zou heel graag zien dat die kerktorenmentaliteit eindelijk wordt doorbroken.”

Kan Boonen morgen voor de derde keer op rij de Ronde winnen, is voorlopig de vraag waar de Vlaamse wielerliefhebbers van wakker liggen. Chevrolet denkt van niet. „Ik zie een zekere vermoeidheid, hij geeft soms iets te snel op. Maar het is ook niet erg als je verliest. Je kan in het wielrennen ook een groot kampioen zijn zonder een uitgebreid palmares, zoals Michael Boogerd. En naast zijn eerste zege in de Ronde van Vlaanderen was de mooiste wedstrijd van Boonen misschien wel de laatste Parijs-Roubaix die Museeuw won. Boonen reed voor Discovery in dienst van George Hincapie, maar die reed van pure ellende de gracht in. Boonen werd tweede, maar hij reed wel een fenomenale race. Ik zou hem zoiets graag eens zien doen in een wedstrijd als Luik-Bastenaken-Luik. Maar daar zegt hij geen zin in te hebben, omdat zijn winstkans klein is. Dan daal je toch een beetje in mijn achting.”