Zo hecht als een gezin

‘We willen een eigen ensemble’ staat er onomwonden in de nota ‘Naar een nieuw toneelbestel’, die is ondertekend door elf artistiek leiders. Maar waarom eigenlijk?

‘Ik heb altijd willen werken met een vast ensemble”, zegt regisseur en directeur Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam. Met zijn ploeg van tweeëntwintig vaste spelers is dit het grootste gezelschap van Nederland. Het Nationale Toneel uit Den Haag heeft veertien vaste spelers in dienst. Een middelgroot gezelschap als Het Vervolg, gevestigd in Maastricht, telt een handvol acteurs in vast dienstverband.

Deze ensembles zijn gelukkige uitzonderingen. Niet iedere toneelvoorziening in Nederland heeft deze luxe. Maar voor regisseurs en spelers geldt het ensemble opeens als een ideaal. De spelers hebben een vaste aanstelling, regelmatig keren ze in de producties terug. Daardoor zijn ze herkenbaar voor het publiek. Ook regisseurs zijn hecht aan het ensemble verbonden. Het geheim van een vaste spelersgroep schuilt in het onderlinge vertrouwen: regisseur en acteurs in een gelukkige constellatie, en dat gedurende meerdere jaren.

Het begrip ‘ensemble’ is helemaal terug in de plannen voor een nieuw toneelbestel, dat elf gesubsidieerde gezelschappen kort geleden presenteerden. Een ensemble bepaalt ‘het gezicht en de signatuur van een gezelschap’, aldus de ondertekenaars van het nieuwe plan. Evert de Jager, algemeen directeur van het Nationale Toneel, Hans Trentelman van Het Vervolg, zakelijk leider Alex Kühne van Theatergroep Oostpool uit Arnhem en Koos Terpstra, regisseur van Het Noord Nederlands Toneel, koesteren eensgezind deze droom. „Een ensemble is niet alleen de ziel van het toneel, het is ook het gezicht voor mensen in de schouwburg”, zegt De Jager.

Dit is opmerkelijk. Jarenlang gold het vertrouwde ensemble eerder als een log instituut dan als een artistieke noodzaak. In 1988 kregen de toneelgezelschappen van de overheid zelfs de plicht opgelegd het vaste ensemble op te heffen. De nota Efficiënt Cultureel Management eiste een zodanige reorganisatie dat ‘ensemblevorming en doorlopende dienstverbanden’ werden afgeschaft. Acteurs, regisseur en ontwerpers moesten zich opstellen als ‘culturele ondernemers’ die voor de duur van één toneelproductie werden ingehuurd.

Deze ontwikkeling is in haar tegendeel omgeslagen. Het ensemble is helemaal en vogue. Van Hove noemt de roep om een vaste toneelgroep forward to basics: „We moeten niet telkens het oude weggooien.”

Artistiek leiders van de

grote Nederlandse gezelschappen hebben een ensemble nodig om twee doelen te verwezenlijken: het scheppen van nieuw repertoire en de mogelijkheid bestaande voorstellingen te kunnen hernemen. Maar is het verlangen van toneelgezelschappen naar een hechte eenheid meer dan een gril? Over het verdwijnen van het ensemble bestaan nogal wat misverstanden. Velen beschouwen Aktie Tomaat, de toneelrevolte van 1969, als aanstichter van het kwaad. Dat is niet zo. Hoewel Tomaat een gevestigd ensemble als de Comedie deed wankelen en tenslotte verdwijnen, ontstonden korte tijd later nieuwe, hechte groepen als Baal, Centrum, Proloog, Globe, Sater en Werktheater. Zij hadden een eigen gezicht en een eigen publiek. Ook het Publiekstheater had jarenlang een vast tableau de la troupe. Maar door genoemde nota uit 1988 kwam de klad erin en werd continuïteit onmogelijk. Als subsidievoorwaarde destijds gold het loslaten van vaste betrekkingen.

Evert de Jager van het Nationale Toneel begon als acteur bij onder meer de Haagse Comedie. „Ik heb nog net iets van het oude bestel meegemaakt”, zegt hij. „Ik was opgenomen in een hiërarchische structuur en had grote acteurs en regisseurs boven me staan. Ik leerde veel van hen. Een ensemble biedt beschutting.”

Het is een van de voordelen van een ensemble dat een acteur kan groeien. Destijds waren acteurs ook regisseurs, zoals Paul Steenbergen, Han Bentz van den Berg of Guus Oster. Zij bepaalden het repertoire op grond van de aanwezige talenten. Eerst onderzocht de leiding de artistieke mogelijkheden van het gezelschap, daarna werd het repertoire gekozen. Een oudere acteur voor King Lear, de aankomende speler als titelheld Hamlet. De jeune premier vertolkt Romeo en de prille actrice Ophelia of Antigone. De echte beginneling mag voor brief-opbrenger spelen. Enzovoort.

Aus Greidanus, artistiek leider en regisseur van Toneelgroep De Appel uit Den Haag, bevestigt deze werkwijze : „Binnen het ensemble zoek ik naar passende spelers voor een voorstelling. Het is belangrijk dat een speler die enkele keren een kleinere rol heeft gekregen het perspectief heeft op een hoofdrol. Ik zou graag Romeo en Julia willen doen, maar ik heb daarvoor niet de juiste acteurs in huis. Dus dan gaat het voorlopig niet door.” Voor Greidanus is een samenwerkende groep noodzakelijk voor bloeiend theater: „Het grootste voordeel is dat de spelers elkaar kennen en vertrouwd zijn met het artistieke proces. Je werkt daardoor doeltreffend en hoeft niet aan elkaar te wennen. Ruim drie jaar jaar geleden maakten we het project Tantalus. We wisten niet waaraan we begonnen. Met de kennis van destijds durven we nu een nieuwe onderneming aan, de bewerking van de Odysseia.”

Kleven er ook nadelen aan een ensemble? „Zeker”, antwoordt Guy Cassiers van het Belgische Toneelhuis polemisch. Onlangs zorgde Cassiers voor opschudding. Zijn acteurs kunnen niet langer rekenen op een vaste aanstelling. „Ensembles hebben het nadeel ongevaarlijk te worden. Men kent elkaar te goed om risico’s te durven nemen. Het toneel in Nederland is op dit ogenblik behoudend. Bij een gezelschap sus je elkaar in slaap”, aldus Cassiers. Voor de generatie theatermakers die Cassiers op het oog heeft, bestaat het traditionele gezelschap niet: de scheiding tussen regisseur aan de ene kant en acteur aan de andere is weggevallen. Dat is voor hem de ‘toekomst’. Cassiers: „Mijn regisseurs zijn tegelijk acteur of performer en mijn acteurs zijn tevens regisseur. Risico’s nemen is belangrijker dan de gerieflijke veiligheid van een ensemble”.

Matthijs Rümke, artistiek leider van het Zuidelijk Toneel, huldigt wel de optiek van een vast gezelschap en is het oneens met Cassiers. Voor Rümke bestaat er een onderscheid tussen het gezelschap als ‘gezin’ en als ‘familie’. Bij een familie horen ook de afdelingen publiciteit, technische dienst, vormgeving en educatie; dat zijn de ooms en tantes. Het gezin is de onmisbare, harde kern. Het wederzijdse vertrouwen begint in de beslotenheid van het repetitielokaal. Spelers kunnen tot het uiterste gaan, zich extreem gedragen om een rol uit te proberen, en zich toch veilig en bemind weten. Rümke: „Met een ensemble neem je als acteur verworvenheden mee van de ene voorstelling naar de andere.” Ook wil Rümke voorstellingen graag hernemen. Met gastacteurs kan dat niet: die hebben meteen na de speelperiode andere dingen te doen.

Gerrit Timmers, acteur en regisseur van het Onafhankelijk Toneel, zegt dat het stichten van grote gezelschappen niet moet ‘leiden tot verstarring’. Zijn gezelschap zou graag over vaste jonge spelers willen beschikken. Maar het geld ontbreekt: „In elk subsidieverzoek plaatsen we bovenaan dat we een ensemble willen worden. Totnogtoe is dat verzoek nooit gehonoreerd.” Timmers’ woorden geven aan wat het utopische is van alle vurige ensemblewensen: een ensemble is erg duur. De subsidie voor toneel zou flink omhoog moeten om alle wensen te honoreren en daar ziet het bepaald niet naar uit.

Voor Koos Terpstra, artistiek leider

van het Noord Nederlands Toneel, is een ensemble „het wezen van theater.” Terpstra: „Het voordeel van onze speelplek in Groningen is dat iedereen hier woont, dat de repetities na vieren in het café doorgaan. Iedereen bij het NNT bemoeit zich overal mee. Ik zie liever acteurs die van de kleinste tot de grootste rol verantwoordelijk zijn voor het resultaat van de hele voorstelling dan twee hoofdrolspelers en nog een aantal acteurs eromheen. Die onderlinge band draagt bij aan de energie en de kracht van een voorstelling. Hierdoor is wat wij maken meer dan een optelsom van de individuele spelers.” Terpstra is in het gelukkige bezit van een eigen zaal, de Machinefabriek. Dat geldt ook voor Oostpool in Arnhem met Huis Oostpool en voor Het Vervolg dat over het Derlon Theater beschikt. Ensembles en een eigen speelruimte zijn voor de betrokken regisseurs met elkaar verbonden. Zowel het Noord Nederlands Toneel als Toneelgroep Oostpool hebben dankzij een hecht ensemble het toneel in die steden een krachtige impuls gegeven. Alex Kühne van Oostpool: „Ons eigen huis is de uitvalsbasis. Een spelersgroep mag geen toevallige, losse samenhang zijn.”

Van de kant van de acteurs bevestigt Bert Luppes, jarenlang verbonden aan theatergroep Hollandia en nu vast speler van het Zuidelijk Toneel, dat een ensemble van een speler ‘loyaliteit’ vraagt: „Bij Hollandia regisseerden de spelers elkaar ook. Als ik aan de kant zat, voelde ik me betrokken bij de regie. In een vast ensemble kun je ook gecast worden in een rol die je misschien vreemd is. Dat maakt je uiteindelijk tot een groter acteur. Een freelancer wordt vaak gevraagd omdat hij een bepaalde stijl of een facet van het spelen goed beheerst. Dat beperkt zijn mogelijkheden.” Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam: „Als Hans Kesting en Halina Reijn een keer succesvol samenspelen, dan doe ik dat niet een tweede keer. In een ensemble kun je telkens gedurfde combinaties maken. Typecasten is iets wat bij freelancers hoort, maar daardoor groei je nooit.”

Nu de roep om een ensemble zo veelvuldig klinkt, rijst de vraag waarom dat niet eerder is gebeurd. Bert Luppes ziet een opmerkelijke reden: „Veel Nederlandse regisseurs, zoals Ivo van Hove, Theu Boermans en Johan Simons werken in Duitsland en Oostenrijk. Daar floreert het model van de stadsgezelschappen in stadstheaters zonder reisplicht. En bovendien met behoud van een groot repertoire.”

Toch ziet Guy Cassiers eerder restauratie dan vooruitgang met deze plannen: „Het is of we met de hang naar een ensemble weer terug willen naar de tijd voor Aktie Tomaat en naar het klassieke model van de regisseur als bezield leider van een groep acteurs.”