Van alles een beetje, maar wie ben ik echt?

Steeds weer die vraag of ik er wel bij hoor. Het is een wonder dat ik als Turkse Nederlander na dertig jaar nog steeds niet lijd aan schizofrenie, verzucht Ahmet Olgun.

Als de jood niet zou hebben bestaan, zou de antisemiet hem hebben uitgevonden. Jean-Paul Sartre

Een tot de islam bekeerde Nederlander zette me onlangs in een Brusselse kroeg eerst neer als een moslim, om me vervolgens te ontmaskeren. Ik was nepmoslim en ook nog eens nepTurk. Hij was ooit naar Afghanistan afgereisd om de islamitische Talibaanstrijders bij te staan in hun strijd tegen de communisten en Russen. En waar was ik? Later deed hij hetzelfde in Zuidoost-Turkije met de Koerden. En waar was ik toen?

Later begreep ik dat hij als arts was uitgezonden door Artsen zonder Grenzen; zelf vond hij dat hij als een ware moslim zijn broeders bijstond bij de heilige strijd. Nee, hij was echt en ik was „fake”.

In de dertig jaar dat ik inmiddels in Nederland vertoef, worden mijn identiteit en zogenoemde loyaliteit (aan van alles en nog wat) onophoudelijk bediscussieerd. Heel lang gold ik als een ‘vernederlandste’ Turk, die echter nooit werd toegelaten tot het mysterieuze gilde van ‘De Nederlanders’. En sinds de ontmoeting in Brussel deug ik dus ook niet als moslim of Turk.

Het begon al min of meer kort na mijn aankomst in een Noord-Hollands gehucht. Sommige van mijn eerste Nederlandse vriendjes en vriendinnetjes, soms ook hun ouders, hielden me voor voor dat ‘de buitenlanders’ maar terug moesten naar hun land. Ik mocht blijven: ‘Jij bent zo vernederlandst’. Ik heb – uiteraard op last van de meester of juf – regelmatig staande ovaties in de klas ontvangen, omdat ik ‘als buitenlander’ een hoger cijfer wist te scoren voor het vak Nederlands dan de ‘echte’ Nederlanders. Klasgenoten moesten er zich voor schamen! Het was mijn succes niet, het was hun falen.

Sinds mijn tienerjaren is Allah voor mij niet meer dan een of andere god, toch word ik continu aangesproken op mijn moslim-identiteit. Hoewel ik Turkije – mijn geboorteland dat ik op mijn dertiende verliet – voornamelijk van de vakanties ken, word ik zo nu en dan geacht spreekbuis te zijn van ‘de Turkse gemeenschap’. En dat terwijl Johan Cruijff me meer zegt dan Atatürk.

Thuis heb ik twee tegels hangen met daarop de overbekende logische zinnen van Cruijff. Te pas en te onpas smijt ik met cruijffiaanse zinnen, toch ben ik nooit voor een cruijffiaan versleten.

Met de jaren namen de subtiele verwijten, twijfels en zelfs uitsluiting vanwege mijn identiteit en loyaliteit minder onschuldige vormen aan. Als journalist op weg naar een interview met een wethouder werd ik aangezien voor diens chauffeur, een hoerenmadam stuurde me weg omdat ze niet geloofde dat het weekblad waarvoor ik schreef ‘een Marokkaan’ in dienst zou hebben. De politie werd zelfs over mij getipt als verdachte bij een moord op een Nederlands echtpaar. De eerste verdachten waren Turken die wegens gebrek aan bewijs werden vrijgelaten. De aard van mijn kritische stukken over de Nederlandse maatschappij vormden voor de anonieme tipgever het ultieme bewijs van mijn schuld.

Van Turkse zijde werd me verweten dat ik een nestbevuiler was, omdat ik als journalist verhaalde over drugshandel, afpersingspraktijken, gedwongen huwelijken en eerwraak. Turkse nationalisten beschuldigden me van sympathie voor de Koerdische afscheidingsbeweging PKK. Koerden zagen juist een Grijze Wolf in me. En terwijl islamisten me uitmaakten voor seculiere godsdienstvijand, beweerden sommige seculiere moslims dat ik juist pleitte voor de politieke islam.

In die tijd maakte ik me niet zo druk om dit soort kwalificaties. Die voelden eerder complimenteus aan. De aantijgingen bewezen dat ik me opstelde als een objectieve journalist, en dat mensen me daarom niet in een hokje konden plaatsen. Dankzij mijn pen en objectiviteit stond ik als het ware mulischiaans boven de massa.

Acht ik me sinds mijn tienerjaren een agnost, sinds de aanslagen van ‘9/11’ moet ik verantwoording afleggen als moslim. Eens vroeg een portier me hoe ik de aanslagen op de WTC-torens zag – maar die vraag werd niet gesteld aan ‘Nederlandse’ collega’s. Ik begreep: hij wilde weten wat voor vlees hij in de kuip had. Misschien dat mijn baardje een belletje bij hem deed rinkelen. Hij kon ook niet weten dat ik me soms gewoon uit luiheid niet fatsoeneerde.

Na de moord op Van Gogh werd steeds vaker een beroep op mij als moslim gedaan. Kon ik even uit de doeken doen wat de islam zoal meldt over het gebruik van geweld? Maar niemand die daarbij informeerde naar mijn dubbele paspoort. Kennelijk is iemands loyaliteit niet gebonden aan een van staatswege verschaft reisdocument.

In mijn geval hadden ze – als ze ernaar hadden gevraagd – kunnen weten dat ik mijn Turkse paspoort uit eigen beweging heb ingeleverd. Puur wegens typisch Hollandse argumenten: ik weigerde te dienen in het Turkse leger, evenmin was ik bereid de gevraagde afkoopsom te betalen. Ik ging liever op vakantie van dat geld.

Desondanks zette een columnist van een kwaliteitsochtendblad een vraagteken bij mijn plaats in deze samenleving. Naar aanleiding van een reportage van mijn hand over hoe moslims in Nederland aan hun informatie kwamen ten tijde van de invasie van Irak, merkte ik op dat ook sommige moslims in Nederland de samenleving opdeelden in wij en zij.

De columniste vroeg letterlijk waar ik dan wel bij hoorde. Was ik er een ‘van ons? Van jullie?’

‘Van niemand’, mailde ik haar terug.

Het is een wonder dat ik na dertig jaar Nederland nog steeds niet lijd aan schizofrenie.

Ahmet Olgun is redacteur van NRC Handelsblad.