Schaduwen zijn onbetrouwbaar

In de lichtprojecties van Paul Chan komen dode vormen tot leven. Op die manier voert Chan je terug naar de begintijd van de film.

Niets machtelozer dan een val. In tekenfilms en slapstick wordt er veel gevallen en weer opgestaan, maar in het echt loopt het eigenlijk nooit goed af. Wie eenmaal valt, is niet meer te stuiten en verwondt zich of valt dood. Het fatale vallen geschiedt doorgaans van rotsen, dakranden en balkons. Soms wordt er gesprongen, soms gestruikeld of geduwd. Voor het resultaat maakt dat natuurlijk niet uit: je suist door de lucht en kunt niets meer doen en raast onontkoombaar op je einde af. En hoezeer die val ook doortrokken is van het einde, de overgang van leven naar dood blijft abrupt. Het is niet voor niets dat het vallen in de literatuur als metafoor voor het leven wordt gebruikt. Want wat biedt er houvast, wat zou je val nog kunnen tegenhouden?

In de lichtinstallaties van de Amerikaanse kunstenaar Paul Chan (1973) in het Stedelijk Museum CS vallen mensen omlaag, de een na de ander. Of ze nog leven, kun je niet zien. Er zijn er die bewegen, maar dat kan door het vallen komen, door turbulentie van de lucht. Ze doen denken aan de mensen die op 9/11 van het WTC sprongen. Alleen zijn het hier schaduwgestalten die tollend, kantelend, wentelend, ineengekrompen en met armen en benen gespreid door de lichtvlakken op de vloeren trekken. Een apocalyptisch beeld, zo lijkt het. Maar deprimerend zijn de lichtprojecties van Chan niet. Ze brengen een lichter aspect van het vallen aan de oppervlakte, een aspect dat onder de dramatiek van het vallen verborgen ligt. Zijn gestalten vallen niet te pletter. Het enige wat ze doen, is vallen. Ze hoeven zich niet langer overeind te houden en worden nergens meer door belemmerd. Voor zolang het duurt zijn ze bevrijd.

Maar de projecties zijn nog dubbelzinniger. In tegengestelde richting zie je schaduwen van vorken, lepels, dozen, auto’s en klonterige vormen voorbij glijden. Voorwerpen als mobiele telefoons en klapstoelen klappen open, andere desintegreren met lome traagheid, zoals een fiets of een pistool dat uit een damestas glijdt en magazijn en kogels verliest. Welke uitwisseling vindt hier plaats? Een uitwisseling van mensen tegen de dingen die geacht worden de emblemen van onze beschaving te zijn? Is de geschiedenis een rad dat onophoudelijk mensen doordraait en verwerkt, en al doende nogal wanhopig en tevergeefs allerlei dingen de wereld in slingert?

Er zijn vijf schaduwprojecties

van Chan, vier op de vloer en één op een muur. Twee van wat uiteindelijk The 7 Lights zullen worden, moeten nog gemaakt worden en zijn niet in het Stedelijk Museum CS te zien. Verder hangen er tekeningen met houtskool, knip- en plakwerk met zwart papier – studies van schaduwen. Lights and Drawings is Chans eerste grote tentoonstelling in Europa. In Amerika maakt hij reeds furore met kleurige animaties. Idylles confronteerde hij met een catastrofe. De ‘idylle’ van poepende en bloemen etende meisjes en de onder applaus van omstanders copulerende stelletjes – vrij naar de tekeningen van de Amerikaanse kunstenaar Henry Darger en de ideeën van de negentiende-eeuwse utopist Franse Charles Fourier– in de installatie Happiness (finally) after 35.000 years (1999-2004) wordt bijvoorbeeld met geweld vernietigd: mannen schieten met geweren en branden huizen af. De kale boom met kakelende vogels in My birds… trash… the future (2004) hangt ’s ochtend ineens vol met lijken. Rook wolkt massief op tegen de horizon, maar de vogels blijven fluiten, de mobiele telefoons blijven rinkelen, een man en een vrouw kussen elkaar en de zon komt op en gaat onder.

Chan liet zich voor Lights and Drawings inspireren door late werken van componisten als Liszt en Beethoven. Aan het eind van hun leven overzagen zij hun oeuvre en brachten het tot zijn essentie terug, haast tot een punt waarop de composities uiteenvallen en de stilte het overneemt. Net zo lijkt Chan op zoek geweest naar de essentie van zijn vroegere werk, naar de stilte erin. Verhaal, kleur en geluid haalde hij eruit, er zijn alleen nog schaduwen. Verweesde schaduwen, afdrukken van een wereld die er niet meer is. Ze vertragen en versnellen, ze zijn scherp als silhouetten of verduisteren het lichtvlak als een wolkenpartij, er zijn volle en ijle momenten, en ook de fasering heeft geen andere oorsprong dan een muzikale.

Zijn schaduwcomposities hebben de duur van een pianosonate, zo’n veertien minuten. Ze representeren de cyclus van de dag. Ze beginnen in zacht oranje en eindigen in het dieprood van de zonsondergang, het blauwpaars van de nacht. ’s Nachts zijn ze in ruste, maar elke ochtend begint het vallen en stijgen opnieuw. De animaties doen primitief aan. Alles trilt en schokt, zoals bij vroege tekenfilms. Chan heeft dat zover doorgevoerd dat het lijkt of dode vormen tot leven komen. Appels fladderen met hun blaadjes, dozen flapperen met hun flappen. En van vliegen en vogels kun je je afvragen of ze nog leven, of alleen vanwege de schokken met hun vleugels slaan. Misschien gaat het hier niet om animatie, maar om reanimatie. Nooit komen de schaduwen werkelijk tot leven, steeds blijf je zien dat er een poging wordt gedaan om ze te bezielen. Alsof Chan je terug in je kinderjaren probeert te brengen, toen schaduwen nog een magisch bestaan leidden. Soms bewegen er draden aan de randen van de projecties. Dat wekt dan weer associaties met oude films. De zwart-witfilm was eigenlijk schaduwtheater: celluloid dat schaduwenfiguren over het filmdoek liet glijden. Zo voert Chan je ook terug naar de begintijd van de film. Een schemerwereld waarin nog niet alles was ingevuld en je zélf de beelden leven moest inblazen.

De vijf projecties hebben ieder

een eigen sfeer. Ook verschillen de schaduwvormen. In een van de lichtvlakken verschijnt bijvoorbeeld allerlei rotzooi waaruit zich een telegraafpaal opricht. De draden hangen los en zwiepen heen en weer. Er stijgt weer van alles op: gigantische iPods met ellenlange snoeren, treinstellen. Ook hier beginnen na enige tijd figuren te vallen, soms houden ze elkaars handen vast. Heftig is een projectie van een stakerige boom met scherpe bladeren. Gaandeweg worden de bladeren weggeblazen. Maar vaandels worden door de wind meegevoerd en blijven aan de takken haken. Onderaan zie je stokken met vaandels, ze trekken als in een mars voorbij.

Een andere projectie is langgerekt en theatraal. Zij wordt doorsneden door een houten tafel, gemaakt naar de maten van de tafel op het schilderij Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci. Als de schaduwen de tafel hebben bereikt, verdwijnen ze van de vloer en trekken over de tafel. Schaduwen zijn onbetrouwbaar. Schaduwen hebben geen voorkeuren en pakken elke ondergrond die op hun weg komt. Een schaduw is de ‘weerschijn’ van het ene voorwerp op het andere, de besmetting van een voorwerp met een ander voorwerp. Of misschien moet je zeggen: met de afwezigheid van een ander voorwerp. Altijd toont de schaduw de formele kant van een voorwerp of levend wezen, en brengt het lege en stomme ervan aan het licht. De geringste draaiing, en een schaduw laat zich tot niets meer herleiden en is slechts een donkere vlek. Zo onthullen ze dat alles wat we zien een zinsbegoocheling is.

Dat geldt ook voor de expositie als geheel: niets dan illusie. Er zijn wel schaduwen, maar geen mensen en voorwerpen die ze op de vloeren werpen. Die zijn al lang verdwenen en vergaan. En doe je de projectoren uit of de zaallichten aan, dan is er ook geen expositie meer. Uitgezonderd de tafel natuurlijk, die blijft daar gewoon staan. Misschien is het de bedoeling dat je aanschuift en wacht op je eigen herrijzenis en opstijging.

Met het Laatste Avondmaal in gedachten zou je nog eens naar de schaduwfiguren kunnen kijken. Ineens is het niet meer zo zeker dat ze vallen. Ze zouden ook kunnen stijgen. Want vier van de vijf projecties hebben geen onder en boven. Ze liggen op de grond, je kunt er omheen lopen en de gestalten naar je toe laten komen of juist van je af laten gaan. Ze zijn min of meer trapeziumvormig en doen denken aan de lichtvlakken die ramen op vloeren werpen, lichtvlakken die van de ochtend tot de avond door je kamer trekken. Waar ze toelopen, is het licht het krachtigst. Het wekt de indruk van een stralend verdwijnpunt – de schaduwgestalten tuimelen hun verlossing tegemoet.

Stel dat je op 9/11 zelf in het WTC was, op een van de lagere verdiepingen. Een enorme dreun heeft het gebouw doen schudden, maar nu is het stil, sereen stil. Je kijkt niet naar buiten maar naar binnen. Op de vloerbedekking zie je het licht dat nog altijd door de ramen valt; de zon trekt zich niets van rampen aan, de zon is onverstoorbaar en blijft wel schijnen. En in dat eeuwige licht schieten schaduwfiguren langs, even maar, het gaat razendsnel. Vallen ze, of stijgen ze? Bestaan ze echt, of zijn het alleen maar schaduwprojecties, verstoringen van het licht, vluchtig als het knipperen van ogen?

Maar tijd om je om te draaien en naar buiten te kijken, heb je niet meer. Het gebouw begint te beven en te schudden, en terwijl de mensen buiten omhoogkijken en de hele wereld meekijkt en de meeuwen tussen de wolkenkrabbers blijven doorvliegen, is ook jouw val abrupt geëindigd en zijn stijgen en vallen één geworden.

De tentoonstelling ‘Lights and Drawings’ van Paul Chan is te zien tot 10 juni in het Stedelijk Museum CS in Amsterdam. www.stedelijk.nl.