Poehazië

De enige vertaling van een gedicht is een gedicht, zei Gerrit Komrij ooit. Het was een uitspraak die hem de Martinus Nijhoffprijs kostte, de jaarlijkse hoofdprijs in de Vertaliaanse staatsloterij. Want zo zijn we niet getrouwd in Vertalië. Vertalië kent geen gedichten, alleen maar teksten die getrouw dienen te worden overgezet, in vlekkeloos en smetteloos Nederlands, niet alleen met behoud van betekenis, maar ook van versvoeten en rijmschema’s en alle prosodische lemmata uit Cees Buddingh’s Lexicon der poëzie. Wie heeft het dan over gedichten?

We nemen u even mee voor een korte excursie naar Poehazië. Het charmante buurland van Vertalië, waarmee het vele zaken, ja hele gebiedsdelen gemeen heeft. Veel schrijvers en dichters schrijven namelijk alsof het al vertaald is. En omgekeerd zijn er ook vertalers die de taal zo levend houden dat wij ze hoger aanslaan dan menige huisbakken Hollandse schrijver of dichter in het taaleigen van de doeltaal. De Majakovski van Fondse, de Pessoa van Willemsen, de Shakespeare van Komrij, de Faust van Posthuma. Waar ligt dat aan?

Een tipje van de sluier werd voor ons opgelicht door de veeltalige Cees Nooteboom, de vriendelijke burgemeester van Poehazië, die steevast zijn bril als een ambtsketen om zijn nek heeft hangen. Immers: ook een gedicht is pas leesbaar door het brilleglas. In de laatste Filosofie Magazine legt hij een van zijn gedichten uit, waarin sprake is van een ‘voorgerecht onder ons ivoren dak’. De burgemeester verklaart nader: „In plaats van ‘onder ons ivoren dak’ kun je ook gewoon zeggen ‘onder de schedel’. Maar dan heb je geen poëtische zin.”

Aha! Dit mag gerust de eerste, en misschien wel enige wet van Poehazië heten: Gij zult poëtische zinnen maken. In Vertalië moeten de zinnen klinken alsof ze vertaald zijn en in Poehazië moeten ze poëtisch klinken. Met als gevolg dat beide taaleigens ernstig afdwalen van het kloppende geheel dat een levende taal is.

Het lijkt wel of er een soort algemene mensentaal is die omgezet moet worden, die allerlei cosmetische operaties moet ondergaan, voordat hij kan worden voorgezet aan de gasten, de lezers. In Vertalië is dat een toondove eenheidsworst en in Poehazië is het een opgewarmd prakje dichterlijkheid, gemaakt met lege hazelnoten van de lege hazelnotenboom.

De overeenkomsten tussen de resultaten zijn treffend: de lezer weet meteen waar hij aan toe is omdat de poëtische toon c.q. de toon van de vertaling zo bedreven wordt aangeslagen. In beide landstalen wordt op dezelfde manier het paard achter de wagen gespannen. Waar de ars van het vertalen juist het celere artem zou moeten zijn, de kunst van het niet-vertalen, zie je dat het er in Vertalië juist om te doen lijkt te laten zien dat je een vertaling leest.

Waar de kunst van de poëzie juist het verbergen van de kunst zou moeten zijn, zie je dat het er in Poehazië juist om te doen lijkt te laten zien dat er Gedicht wordt en Poëzie wordt bedreven met Hoofdletters. Een normaal mens, een normaal woord kom je er niet tegen. Poehazië: het land waar de mensen geen schedels hebben, maar ivoren daken. Waar de mensen geen gebakken hersentjes eten, maar ‘veeltallige muzen, over gelijke porties verdeeld’. Waar een bril een ambtsketen is.