Oppasopa’s poespas

Kees van Kooten: Episodes. De Bezige Bij, 128 blz. €15,–

Twee woordspelingen stond Kees van Kooten zichzelf toe tijdens zijn opening van het Boekenbal 2007. In zijn nieuwe verhalenbundel was hij wat minder streng. Zo vinden we onder meer ‘google goochel’, ‘opamatopee’, ‘stoepsnoep’ en zelfs ‘gay per reet’, terwijl de titel van de bundel blijkt te verwijzen naar de bijnaam Epi die Van Kooten kreeg van zijn kleinzoon Roman: ‘Epi’s odes’ dus; ondertitel ‘Een romance’.

In eerdere bundels als Koot graaft zich autobio, Veertig en Annie schreef Van Kooten over zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw en zijn kinderen; nu is de volgende generatie aan de beurt. In het voetspoor van zijn grote held S. Carmiggelt excelleert de pensioengerechtigde tv-legende in humoristische beschrijvingen van zijn bestaan als oppasopa. Dat hij zichzelf daarbij neerzet als ‘een schattig opaatje’ kan hem niet deren: ‘Altijd oud brood voor de eendjes op zak, veertien eenvoudige goocheltrucjes beheersen, feesthoeden en bootjes kunnen vouwen, weten welke vogel daar fluit of hoe dat sterrenbeeld heet.’

In Episodes lezen we dus onder meer over de morele dilemma’s waarmee de voorlezer van lievige plaatjesboeken over het boerenleven wordt geconfronteerd; over de onmogelijkheid voor een gewoon mens om van A-4-papier een molentje te vouwen; over de digitaal- elektronische kenniskloof tussen de generaties; over een desastreus bezoek aan bioscoop (‘Niet leuk, niet leuk’) en een dito ritje in de draaimolen (‘Epi! Epi!’); en over opa’s pogingen om te doen wat er rond Sint Maarten van hem verwacht wordt: ‘Op 11 november zat ik vanaf zes uur ’s avonds klaar op een stoel achter de voordeur, met mijn schaal snoep op schoot [...] Die vierkante dropjes waren lekker, vooral wanneer je er een stuk of drie tegelijk nam, met een paar pepermuntjes erbij.’

Nog altijd is Van Kooten als geen ander – nou, uitgezonderd Campert misschien – in staat om van alledaagse situaties slapstick te maken en om in een paar zinnen een warme golf van herkenning los te maken. Welke (groot)ouder zal niet glimlachen om Van Kootens duizend angsten in het verhaal ‘Valse zitjes’: ‘Dit kind kan nog gered worden, meneer, maar alleen wanneer iemand zijn eigen organen beschikbaar zou stellen. O, u mag alles van mij amputeren en eruit halen, dokter. Komt u dan maar volgende week woensdag om half drie, meneer. Kan het niet nu meteen, dokter? Ja, dat zou wel kunnen, maar de anesthesist is er nog niet. Ik behoef niet verdoofd te worden, dokter. Als die jongen maar gered wordt.’

Simon Carmiggelt, de pionier van het genre van de opapoespas, zou trots op hem zijn.