Meer gewassen, maar minder soorten

In Nederland zullen de grote rivieren hun water door de stijgende zeespiegel niet meer kwijt kunnen. De Rijn moet wellicht deels worden omgelegd.

Nederland komt er genadig van af, vergeleken met de rest van de wereld. Dat is de eerste indruk bij de publicatie van het nieuwste rapport over mondiale klimaatverandering, vandaag.

Zeker, de kans op meer water is groot, vanuit zee, vanuit de rivieren en als neerslag. „De grootste uitdaging voor Nederland zit in de aanpassing aan water, zowel van de zee als over land”, schrijft het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) in een analyse van de gevolgen, die vandaag verschijnt. Maar we zijn rijk genoeg om er geld voor uit te trekken, en bovendien zijn we gewend om water ter managen. Het belangrijkste is volgens het MNP te voorkomen dat de rivieren overstromen. Met het huidige kustbeleid is de te verwachten zeespiegelstijging „beheersbaar”. Maar de rivieren kunnen hun water straks moeilijker in zee kwijt. „Vooral Rotterdam en Dordrecht vormen een kwetsbaar punt”, aldus het MNP. Juist daar, en ook bij Arnhem en Nijmegen, moet „klimaatbestendig” worden gebouwd, dus vooral niet op lage delen. En misschien, suggereert het MNP, moet het water van de Rijn deels worden afgevoerd via de IJssel of de Zeeuwse Delta.

De zomers worden heter, en dat vergt dure aanpassingen, waarschuwt Frans Berkhout, directeur van het Instituut voor Milieuvraagstukken aan de VU in Amsterdam en een van de auteurs van het VN-klimaatrapport. „In Dubai wonen mensen bij 45 graden Celsius. Dat kan. Maar daar zijn de gebouwen wel op ingesteld.” Hier nog niet. Vorig jaar moest een laboratorium van zijn instituut wegens de zomerhitte worden ontruimd. „We kregen het niet koel genoeg.”

Ook de landbouw moet zich aanpassen, aan de hogere gemiddelde temperaturen en aan de weersextremen, zoals zeer natte winters en droge, hete zomers. In een hete zomer kan een enkele zware bui de tarwe pletten. Een milde decembermaand kan koolzaadvelden doen bloeien, die vervolgens door nattigheid en kou in januari worden vernietigd. Boerenorganisatie LTO Nederland dringt aan op de ontwikkeling van nieuwe rassen die beter tegen extremen kunnen. „Zodat bijvoorbeeld de aardappeloogst niet hoeft tegen te vallen zoals afgelopen jaar”, zegt Peter Prins van LTO Noord. Maar waar de droogte in Zuid-Europa de teelt van bepaalde gewassen onmogelijk dreigt te maken, daar wordt het groeiseizoen hier langer. Daardoor neemt de keuze aan gewassen toe. Het aantal wijnboeren neemt toe.

„Er zijn in Nederland meer gezinnen afhankelijk van de wijnbouw dan van de kabeljauwvisserij”, zegt Rik Leemans, hoogleraar milieusysteemanalyse aan Wageningen Universiteit, en ook een van de Nederlandse auteurs van het klimaatrapport. Er komt meer aandacht voor andere gewassen, zoals de teelt van zonnebloemen, suikermaïs en soja. En er komen nieuwe kansen voor de tuinbouw, denkt LTO-man Prins. „De laatste jaren is veel tuinbouw naar andere landen verhuisd. Die tuinbouw zou misschien weer terug kunnen komen.” Anderzijds zal de Nederlandse landbouw ook iets gaan merken van rampzalige gevolgen elders. „In de globaliserende economie kan het niet anders dan dat wij óók de effecten zullen merken, bijvoorbeeld door de prijs van grondstoffen en voedsel”, zegt Frans Berkhout. „We worden overal door geraakt.”

De grootste gevolgen, denken de deskundigen, zal de klimaatverandering hebben op de natuur. „Dát is het grote probleem in Nederland”, zegt Rik Leemans. De natuur ligt nu precies één maand voor op schema. Veel soorten die Nederland als zuidgrens hebben, verdwijnen mogelijk. Zoals de zeldzame turfloopkever in Drenthe. Of het korhoen. Ook de beuk zal het moeilijk krijgen, omdat deze niet goed bestand is tegen langdurige droogte en zon. De zogenoemde „opportunisten” profiteren van de opwarming. „Soorten die zich gemakkelijk aanpassen”, legt bioloog Arnold van Vliet uit, beheerder van de Natuurkalender, een waarnemingsprogramma dat ecologische veranderingen in beeld brengt. „Een vlinder als de koninginnepage kun je tegenwoordig in heel Nederland aantreffen. Maar een turfloopkever is een héél gevoelige soort. Die gaat misschien verdwijnen. Dat is spijtig. Het gáát al slecht met de natuur in Nederland. En straks zal het nóg slechter gaan.”

Ook het MNP voorziet een „verschuiving van leefgebieden”. Het natuurbeleid moet op de schop, verwacht Rik Leemans. „We stoppen anderhalf miljard euro per jaar in natuurbeleid. Dat wordt straks misschien héél ineffectief.” Klimaatverandering is een „extra reden” om te streven naar grote natuurgebieden. „De veerkracht voor het opvangen van extreme omstandigheden, zoals weerextremen dankzij klimaatverandering, is groter in deze grote gebieden.”

Goed, de natuur gaat lijden onder klimaatverandering. Is dat een ramp? Moeten we niet blij zijn dat de gevolgen beperkt blijven tot het verdwijnen van pakweg de beuk, en we niet met z’n allen in zee zakken? „Nee”, zegt Rik Leemans. „Je moet de achteruitgang van de natuur niet bagatelliseren. De natuur is heel belangrijk. Een beuk bepaalt ons landschap. Hij behoort tot onze cultuur. Het is net zoiets als wanneer het Rijksmuseum zou verdwijnen.”

Analyse te lezen via www.mnp.nl