‘Lucifer’, maar dan wel heel anders

Albert Sánchez Piñol: In het hart van het oerwoud. Vertaald door Adri Boon. Cossee, 415 blz. € 24,90

In het hart van het oerwoud van de Catalaanse schrijver Albert Sánchez Piñol speelt zich af vlak voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog, al speelt deze in het boek slechts zijdelings een rol. De kern van het verhaal is gesitueerd in Congo, waar twee gedegenereerde broers uit de Engelse aristocratie de jungle in trekken op zoek naar goud. Bij het graven stuiten zij op een gangenstelsel van waaruit vreemde, mensachtige wezens met onheilspellende bedoelingen de expeditie belagen. Geholpen door een vrouwtjesexemplaar van deze ‘tektons’ weten zij de aanvallen af te slaan en de ondergrondse toegang te blokkeren. Allen komen om, behalve de manke Marcus Garvey, helper van de twee broers, die als redder van de wereld terugkeert naar de beschaving.

Tot op dat punt doet de roman onvermijdelijk denken aan Joseph Conrads klassieker Heart of Darkness. Het kwaad dat huist in een binnenland waar ieder moreel besef verdampt en de talloze wreedheden die de erin binnendringende westerlingen begaan wettigen de verwijzing daarnaar in de Nederlandse titel (oorspronkelijk: Pandora in Congo). Maar meer nog doet het boek denken aan Sánchez Piñols eigen roman Nachtlicht, die twee jaar geleden een mondiaal succes was en ook in het Nederlands werd vertaald. Spelend op Antarctica, vormt dat debuut de klimatologische tegenpool van In het hart van het oerwoud, om vervolgens in vrijwel ieder opzicht – zelfs de tijd waarin het speelt – hetzelfde te zijn.

Rond deze herhalingsoefening heeft Sánchez Piñol in zijn nieuwe roman een tweede schil aangebracht. Garvey’s verhaal wordt opgetekend door de mislukte pulpschrijver Tommy Thomson, in opdracht van een advocaat die Garvey van de strop probeert te redden. De laatste is niet als een held van de mensheid ontvangen bij zijn terugkeer naar de beschaving, maar als een ordinaire moordenaar die de beide broers omwille van de gevonden rijkdom om het leven zou hebben gebracht. De enige manier om zijn onwaarschijnlijke verhaal voor de rechtbank geloofwaardig te maken is volgens de advocaat het te vertellen in de vorm van een roman en daarmee de publieke opinie te mobiliseren.

Dat werkt. Garvey wordt vrijgesproken – en in dat opzicht lijkt In het hart van het oerwoud de fictionele tegenhanger te zijn van wat Connie Palmens roman Lucifer volgens sommigen in de werkelijkheid teweeg heeft gebracht. Terwijl Piñols Garvey dankzij een roman wordt vrijgesproken, zou Peter Schat via diens fictionele tegenhanger in de communis opinio alsnog de trekken hebben gekregen van een moordenaar. Dat laatste is ernstiger dan het eerste, omdat het verhaal bij Piñól ook in zijn strekking fictie blijft, hoe intrigerend het thema van de relatie tussen verzinsel en werkelijkheid ook is.

Even interessant is echter wat dat onderscheid doet met het literaire verhaal zelf, en met het lezen ervan. Zowel in Nachtlicht als in Garvey’s Congo-verhaal wordt immers nogal wat gevergd van de bereidheid van de lezer zijn ongeloof op te schorten. In het eerste geval doet hij dat graag, omdat het verhaal een indringend licht werpt op de schaduwzijden van de menselijke natuur en cultuur. Hoe gaan we om met wezens die in veel opzichten op ons lijken, maar toch anders zijn dan wij? – een vraag die bijna griezelig actueel is. In Nachtlicht stelt Piñol (antropoloog van opleiding) die kwestie scherp aan de orde – zodra men dat verhaal niet als een veredeld jongensboek maar als een allegorie wil lezen.

Maar in In het hart van het oerwoud kan dat niet. Garvey’s verhaal kan alleen maar effect hebben wanneer de publieke opinie en de rechtbank het als een verslag van ware gebeurtenissen accepteren. Daarom keert Tommy Thomson (de ‘schrijver’ ervan) zich in het boek woedend tegen een lezer die er wél een symbolische betekenis in wil zien (de tektons staan volgens hem voor een dreigend joods wereldcomplot).

Van de rechtbank eist de schrijver Thomson dus een grotere goedgelovigheid dan de schrijver Piñol dat van zíjn lezers eist. En daar gaat het wringen. Want dat de rechter zich zo’n onwaarschijnlijk verhaal door de strot zou laten duwen is nauwelijks voorstelbaar (zelfs wanneer men zich er geen illusie over maakt wat oorlogs- of massa-hysterie vermag). Precies wanneer Piñols roman de sprong maakt van fantasy naar realisme, wordt dat laatste ongeloofwaardig.

In veel opzichten is In het hart van het oerwoud dus minder geslaagd dan Piñols veel minder wijdlopige en daardoor trefzekerder debuut. Maar het is wél een interessante mislukking. Het laat zien dat verschillende literaire genres een verschillende mate van bevreemding toelaten. Het avonturenverhaal kan nog geloofwaardig zijn waar het realisme het allang heeft opgegeven. Maar waar die twee vermengd raken, gaat het mis.

Misschien kunnen de vrienden van Peter Schat aan de ontknoping van déze roman nog een schrale troost ontlenen. Ook het verhaal dat Thomson schrijft om Garvey’s onschuld te bewijzen, blijkt uiteindelijk onwaar.