Keppeltje af in rechtszaal

Een Antwerpse rechter heeft gisteren geweigerd een jood met een keppeltje en een moslima met een hoofddoek te horen. In een groepsproces maande hij beiden hun hoofddeksels af te zetten. Hiermee is het ook in België woedende hoofddoekdebat een nieuwe fase ingegaan.

In beide gevallen ging het om mensen die bij de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar niet als bijzitter op een stembureau waren verschenen. In België zijn burgers die hiertoe worden opgeroepen verplicht op te komen, tenzij zij dwingende redenen kunnen aanvoeren dat dit voor hen niet mogelijk is.

Rechter Walter De Smedt beriep zich op een oud artikel in het wetboek waarin staat dat „toehoorders de zittingen moeten bijwonen met ongedekten hoofde, eerbiedig en stilzwijgend”. Volgens de Belgische hoogleraar rechtsgeleerdheid Paul Van Orshoven gaat het hier om een artikel in het wetboek dat nog stamt uit de tijd dat nog veel mensen een hoed of een pet droegen. Toen was het afnemen van het hoofddeksel bij het binnentreden van een pand een teken van beleefdheid. „Het dragen van een keppeltje of hoofddoek heeft niets met oneerbiedig gedrag te maken. Dat is een uiting van religiositeit. Je kunt je zelfs afvragen of het verbieden van een hoofddoek in een rechtbank niet strijdig is met de vrijheid van godsdienstuiting”, zegt hij vanmorgen in de Vlaamse krant de Morgen.