Kansen voor een nieuwe Ostpolitik

Die neue Ostpolitik luidt de covertitel van het maartnummer van Internationale Politik, tijdschrift van de Deutsche Gesellschaft für Auswärtige Politik (DGAP). ‘Ostpolitik’ is een historisch beladen begrip uit de tijd van de Koude Oorlog en de Duitse deling. In de jaren zestig geopperd door een ziener als de journalist/historicus Peter Bender, zette Willy Brandt vervolgens de idee Entspannung durch Annäherung om in daadwerkelijk beleid. Om te beginnen werd de zogeheten Hallsteindoctrine opgegeven, de regel dat erkenning van de DDR door derde landen afgestraft werd met een diplomatieke breuk van de kant van de Bondsrepubliek. Juist erkenning door Bonn van de DDR als politieke realiteit moest van toen af aan tot een Midden-Europese ontspanning leiden, die, meenden optimisten, mogelijk eens hereniging van Duitsland, en daarmee van Europa, tot gevolg zou hebben.

Uiteindelijk bleken de optimisten realisten en zag Brandt een paar jaar voor zijn dood zijn streven beloond.

De betrokken IP-uitgave wordt ingeleid door minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier. Met een beleefde hoofdknik richting Frankrijk tracht de bewindsman zijn ‘neue Ostpolitik’ in te bedden in een Europees beleid ten opzichte van alle buurlanden, dus inclusief de voormalige Europese koloniën in Noord-Afrika. Maar de hoofdrichting van de volgende artikelen is toch oostwaarts en daarin valt een kernachtig Der ‘Kalte Krieg’ ist Geschichte van Alexander Rahr als eerste op. (De auteur is directeur van het Rusland-Eurazië Centrum van de DGAP.)

Het is een opschrift met actualiteitswaarde. Zo heeft de recente rede van president Poetin op de jaarlijkse veiligheidsconferentie in München vanuit het Westen een aan de Koude Oorlog herinnerende echo opgeroepen. Poetin kritiseerde met zoveel woorden het unilateralisme in de buitenlandse politiek van de regering-Bush en in het bijzonder haar voornemen om in landen als Polen en Tsjechië, aan Ruslands westgrens, een raketverdediging te installeren. Poetins woordkeuze werd hem door de andere conferentiegangers niet in dank afgenomen. Evenmin als Russisch gemanipuleer met gastransporten naar en door Oekraïne en Wit-Rusland in het voorafgaande jaar. De algemene ergernis leidde al snel tot het oproepen van spoken. Alexander Rahr blijkt die te willen uitdrijven.

De auteur begint zijn artikel met een handvol anekdotes die in de publiciteit niet veel aandacht hebben gekregen. Tijdens de wintervakantie begin dit jaar zagen honderden Russische toeristen aan de EU-grenzen hun inreisvisum geannuleerd worden. In een Frans skioord brak de politie een Russische feestje op omdat enkele van de daar aanwezige Russinnen prostituees zouden zijn, die in Frankrijk illegaal hun diensten aanboden. Russische ondernemers beklagen zich over vernederende ondervragingen in EU-consulaten. In het Tiroolse Kitzbühel wilde men het Russische toerisme aan quota binden. De Russen, concludeert Rahr, voelen zich in Europa niet langer welkom.

Nogal wat waarnemers zien volgens hem een nieuwe Koude Oorlog ontstaan. En precies aan het begin daarvan heeft Duitsland het dubbelvoorzitterschap van de Europese Unie en van de G8 (de belangrijkste industrielanden) op zich genomen. Rahr: „Terwijl enkele maanden geleden de EU haar Ostpolitik zag als een verdieping van haar integratiepolitiek met Rusland, zou het vandaag volgens velen nog slechts om beperking van de schade kunnen gaan. De ‘neue Ostpolitik’ zal echter meer zijn dan een wederopleving van de oude Duitse Ostpolitik van de jaren zeventig van de vorige eeuw.”

De energievoorziening is een belangrijke schakel in de verhouding tussen Europa en Rusland, meent Rahr. „Was Gerhard Schröder kanselier gebleven, dan had het Europees-Russische energiepartnerschap waarschijnlijk nog sterkere politieke trekken gekregen. Schröder was een van de weinige westerse politici die aan het begin van de 21ste eeuw nog in een ‘uitgebreider Europa’ met Rusland geloofden.” Naar het voorbeeld van de vervlechting van de Franse en Duitse kolen- en staalmarkten, die tot de ‘ene markt’ leidde, dachten tot 2005 Duitsers en Russen via een energiealliantie een vrijhandelszone van Brest tot Vladivostok te kunnen scheppen.

Teleurgesteld verwijst Rahr naar de anti-Russische houding van enkele nieuwe EU-lidstaten in Midden-Europa. Polen spreken zelfs van de noodzaak van een nieuwe ‘Eindämmungspolitik’. Een rij van gebeurtenissen heeft een nieuw vijandbeeld doen ontstaan: onopgehelderde politieke moorden, ruzie met Ruslands kleinere buurlanden, centralisering van de economie en wapensteun aan Iran en Syrië. Andersom worden in Moskou de discriminatie van Russen in Europa, de anti-Russische retoriek in de media en plannen voor uitbreiding van de NAVO in het gebied van de Zwarte Zee als verdringing van Rusland uit de Europese ruimte ervaren.

Maar Polen is toch Rahrs belangrijkste mikpunt. Polens vasthouden aan het Verdrag van Nice – sinds de verwerping van het grondwetverdrag door Frankrijk en Nederland het wettelijke raam waaraan de EU gebonden blijft zonder perspectief op iets beters – „voert naar een strijd die niet gewonnen kan worden”.

De auteur haalt er zelfs het schrikbeeld van de Poolse geschiedenis bij: met een inefficiënt stemmensysteem naar Warschaus model dreigt de EU het gevaar van verlamming zoals dat 250 jaar geleden tot het einde van de Poolse staat leidde. Rahr: „Dit verlammingsgevaar dreigt vandaag niet alleen Polen maar het hele continent” – een waarschuwing waarmee het Duitse voorzitterschap in zijn ‘neue Ostpolitik’ zijn voordeel kan doen.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.