Hongaar straks uur onderweg naar ziekenhuis

Ondanks felle protesten tegen de hervormingen zet de Hongaarse regering door. Ziekenhuizen gaan dicht. „Voortaan reis je een uur met je blindedarmontsteking.”

Voor lokatiescouts, op zoek naar het perfecte decor voor een melancholiek stemmende film, is Het Instituut een droom die uitkomt. Door de tuinen rond de paleisachtige vertrekken lopen patiënten in ochtendjas, lurkend aan een sigaret. Een zwarte kater springt door het gat in een raam waarachter de donkere kelders van het ziekenhuis schuil gaan. De okergele muren van het hoofdgebouw vertonen scheuren en gaten. En om de immense houten deur van de hoofdingang te openen moet je op z’n minst één dag per week aan krachttraining doen.

Het Psychiatrisch en Neurologisch Instituut in de heuvels van de Hongaarse hoofdstad Boedapest is een fenomeen. Psychiaters vergaarden er roem. Bij veel ex-patiënten is de trots – „Ik had er ooit een bed” – groter dan de eventuele schaamte voor hun ziekte.

Maar het instituut gaat dicht. Deze week zijn de eerste klappen uitgedeeld in de Hongaarse gezondheidszorg die volledig wordt gereorganiseerd. De eerste 18 ziekenhuizen, die als verouderd en inefficiënt te boek staan, sluiten hun deuren. Het psychiatrisch instituut is er een van. De komende maanden worden nog vijftig ziekenhuizen in het land omgevormd tot tehuizen voor chronisch zieken en bejaarden. Acute operaties kunnen er niet langer worden uitgevoerd. Het is te duur. En in veel ziekenhuizen is de medische infrastructuur hopeloos verouderd. Met minder ziekenhuizen, zo luidt de strategie van de regering, moet er méér expertise worden geleverd. En de Hongaarse patiënt gaat flink meebetalen.

„In de provincie moeten mensen met een blindedarmontsteking voortaan op een uur reistijd rekenen”, zo verwoordt László Döme, hoofd psychiatrie in het Instituut, de klachten van de medische stand. „Dat er iets moest veranderen betwijfelt geen enkele arts. Maar het gaat te snel, te ruw, er wordt niet geluisterd naar onze adviezen en noodkreten.”

Na maanden van felle protesten tegen de aangekondigde hervormingen zet de socialistische regering haar plan door. Hongarije heeft met 10 procent van het bnp het hoogste begrotingstekort binnen de EU. En de gezondheidszorg slorpt immense kapitalen op.

Voor medicijnen moet de Hongaar voortaan grotendeels zelf gaan betalen en sinds kort geldt een basisbedrag (1,30 euro) voor een bezoek aan de dokter. Goedkope gezondheidszorg en een gegarandeerde sociale verzekering, de erfenissen uit het communisme, gaan definitief overboord. Hongarije telt meer artsen (3,3 per duizend inwoners, tegen Nederland 3,6) en meer ziekenhuisbedden (4,3 per duizend inwoners, tegen Nederland 2,8) dan het zich kan veroorloven.

„Het wordt ervaren als een shocktherapie”, zegt een economisch medewerker van het Instituut. Het verbaast hem niet dat de „alom gehate minister” van gezondheidszorg Lájos Molnár woensdag aftrad. „Hij kan met geen enkele medicus meer door een deur. Maar hij heeft het vuile werk opgeknapt, en daarvoor beloont de regering hem vast nog wel met een mooie nieuwe baan.”

Wie met een kleine klacht in een Hongaars ziekenhuis komt houdt al snel twee weken een bed bezet, zegt econoom László Csaba van de Central European University in Boedapest. „Er is geen afweging tussen prestatie en kosten.” Volgens hem zijn er in het huidige systeem geen prikkels tot een efficiënter ziekenhuisbeleid. Csaba: „Maar uit onderzoek blijkt dat mensen wel degelijk extra willen betalen voor gezondheidszorg. Geef ze dan die kans, om zich extra te verzekeren, of om naar een privékliniek te gaan. Want gezondheidszorg is gewoon business.”

Van de 60.000 bedden worden er 16.000 gesaneerd. Daarnaast moet er meer ruimte komen voor ‘kapitaal’ in de gezondheidszorg, in de vorm van privéklinieken.

De conservatieve oppositie is fel tegen deze „vercommercialisering”. De laatste weken werden tal van demonstraties georganiseerd. Maar onder het personeel in het Instituut heerst inmiddels berusting. Op het bordes voor de hoofdingang rookt de ambulancerijder een sigaretje. „Ik heb twee mobieltjes. De een is voor noodoproepen, op de ander word ik gebeld door vrienden uit de paardenwereld. Ik rij wedstrijden, daarin zie ik wel toekomst. Want op de ambulance verdien ik per maand 240 euro. Daar kun je niet van leven.”

Op het prikbord in de hal worden artsen en patiënten opgeroepen om de Goede Vrijdag-mis bij te wonen in de kapel van het ziekenhuis. Het wordt de laatste.

Door het raam van zijn studeerkamer in een vleugel van het Instituut heeft dokter Döme uitzicht op de Boeda-heuvels. In 1868 werd het Instituut geopend. „Keizerin Sissi was nog bij de plechtige ceremonie aanwezig,” zegt Döme die sinds 1976 ‘zijn’ afdeling psychiatrie leidt. Over de geruchten dat het kostbare terrein in handen komt van een speculant met politieke connecties wil hij niets kwijt. „Je kunt er zeker wat moois van maken. De verf bladdert af, op het eerste gezicht ziet het er niet uit. Maar met het geld dat nu opgaat aan afvloeiingsregelingen voor overbodig geworden artsen hadden we het Instituut met gemak kunnen renoveren.”

Tot uiterlijk december hebben Döme en zijn 110 collega’s nog de tijd om het gebouw leeg op te leveren. Waar de patiënten naar toe gaan is nog onduidelijk. Döme: „Veertig van onze artsen komen zonder baan. Mijn eigen toekomst? Nog niet over nagedacht.”