Het bestaan aan de waterkant

Eigenlijk heeft de poëzie van M. Vasalis helemaal geen achtergronden nodig. Maar Léon Hanssens studie is wel zeer veelzijdig en onderhoudend.

Léon Hanssen: Een misverstand om in te geloven. De poëzie van M. Vasalis. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 374 blz. €19,95

Het gedicht gaat over een meisje. Ze zat aan de waterkant en keek uit over het langzaam stromende water, ‘zonder te denken of te dromen’, zo zegt ze zelf. ‘Mijn hoofd stak nergens uit de tijd.’ Dat is een manier om te zeggen dat ze volledig opging in het hier en nu. Het gedicht is al oud. Meer dan een halve eeuw geleden werd het opgenomen in een bundel. Ik moet het wel eens onder ogen heb gehad, maar daar herinner ik me niets van.

Nu, in een nieuwe omgeving, zag ik voor het eerst hoe aardig de formulering in de beginregel was: ‘Dichtbij mijn maagre en geschonden knieën zat ik.’ Dan zit ze vermoedelijk met opgetrokken knieën aan die waterkant, de armen eromheen geslagen, kin op de knie, gedachteloos kijkend. ‘Ik zag en was hetzelfde’ zegt ze ook nog. Wat zag ze zoal? ‘Dode katten / gesierd met lange witte tanden, / stijf, plat en grijzend als een wajangpop.’ Wat nog meer? Ratten, die uit hun grijze modderholen te voorschijn kwamen rennen en ‘met een korte plomp’ verdwenen in het water. En ook waren er kleine hagedissen te zien, ‘roerloos als een hiëroglief’, en dan ‘plots verschietend’. Het meisje vertelt verder, in dezelfde praattoon, met dezelfde onopvallende rijmwoorden, hoe ze ging liggen en haar eigen haren rook en het gras, ‘en sterker nog de grond,/ en merkte met gesloten ogen in de zon, dat ik bestond.’ En daarmee is het uit.

Misschien wordt hier een belangrijk psychologisch moment beschreven – de ontdekking van een eigen identiteit, zoiets. Maar misschien is het ook alleen maar een sterke herinnering, gevangen in een intiem en mooi afgerond gedicht. Ik zou het niet zo aandachtig gelezen hebben als er niet een foto naast had gestaan: een oude zwart-wit prentbriefkaart van de hoek van de Kranenburgweg en de Blois van Treslongstraat in Den Haag. Daaronder de mededeling dat het ouderlijk huis van M. Vasalis (1909-1998) gelegen was in de straat rechts op de foto. Foto en gedicht waren bij elkaar gezocht door Léon Hanssen, in zijn dikke studie over de poëzie van Vasalis, Een misverstand om in te geloven. Uit de rest van de tekst begreep ik dat dit de plek was waar de kleine Kiek Leenmans vaak aan de waterkant moet hebben gezeten: aan het zogeheten Verversingskanaal, dat naast die Kranenburgweg ligt, en verderop in Scheveningen uitkomt.

Waar dit gedicht zich precies afspeelt, zou er eigenlijk niet toe moeten doen, maar dat deed het toch wel, merkte ik. Een dromerig meisjeswaterkantgedicht dat zich ook op het platteland van Friesland had kunnen afspelen, of langs een beekje in Limburg, of in Indonesië, of Zuid-Afrika, werd nu een heel aanwijsbaar Haags tafereel, uit de jaren 1915-1920. Het was voor het eerst dat ik me realiseerde dat de voor mij zo goed als woonplaatsloze dichteres Vasalis (er was iets met het Vondelpark, en de Afsluitdijk, en met Roden) een Haagse achtergrond had. En meer dan dat: een gelukkige jeugd in die stad, en ook op het strand van Scheveningen, dichtbij. Met een ‘rode opvoeding’. Een moeder die nog bij Van Eeden in de kolonie Walden had gewoond. Een vader die een geboren en zeer gewaardeerde leraar was (Nederlands en geschiedenis), maar die zijn twee dochters niettemin bezwoer iets anders te kiezen: ‘Desnoods ga je maar ‘‘in het leven’’, als je maar geen leraar wordt.’ Ik ontleen deze biografische gegevens aan een van de hoofdstukken van Hanssen, waarin hij allerlei informatie over Vasalis’ jeugd bij elkaar heeft geplaatst: eigen speurwerk in archieven, uitspraken van Vasalis over haar jeugd, gedichten, en dus ook een foto. In dat sfeervolle geheel krijgt het waterkantgedicht vanzelf veel achtergrond.

Daar is Hanssen goed in: in het bij elkaar brengen van allerlei op het eerste gezicht ongelijksoortige zaken, door hemzelf aan elkaar gepraat, soms van de hak op de tak, maar meestal erg interessant en onderhoudend. Delen van zijn dikke en studieus bedoelde boek lezen als een echt leesboek. Het biografische stuk over Vasalis’ Haagse jeugd is er een voorbeeld van.

Nog zo’n passage, ook weer bladzijdenlang: over de negen maanden die Vasalis in 1936- 1937 doorbracht in Zuid-Afrika, om gezondheidsredenen (reuma of tbc, daarover zijn de verschillende bronnen het nog niet eens). Het gaat dan over de gedichten die daar ontstonden, en over de novelle die ze er later over schreef, en over het in 1939 in een tijdschrift verschenen, maar later nooit meer gebundelde curieuze gedicht ‘De zieke blanke’. Daarin moet ‘een hooge neger’ een zieke blanke man naar buiten dragen, naar zijn stoel in de zon, om te herstellen. Er zitten allerlei stereotiepen over zwarten en blanken in, over meester en slaaf, sterk en zwak, onderhuidse angst en racisme. Het wordt door Hanssen in een lang betoog verbonden met allerlei andere zaken, zoals kolonialisme en discriminatie, de tijdgeest, Slauerhoff en Campert, de edele wilde in het paradijs en de verkrampte westerling met zijn superioriteitswaan en wat daar door filosofen vervolgens over gezegd is.

Eigenlijk is het een klein onderzoek naar de zieke blanke in de literatuur. Dat doet Hanssen graag: motievenstudie. Het woord ‘motief’ valt vaak, net als ‘topos’. De aanleiding moet altijd wel Vasalis zijn, maar Hanssen heeft er weinig moeite mee om haar af en toe even alleen te laten voor een eigen excursie, bijvoorbeeld naar het motief van de zeemeermin in alle tijden en culturen, van Odysseus tot Walt Disney en de Da Vinci Code: 27 pagina’s lang, zeer onderhoudend. Of: het motief van de boomomhelzing. Het SOS-motief. Het motief van de spiegel, de uittocht, de epifanie, het jonggestorven kind. Of het motief van de nettenboetsters.

Een misverstand om in te geloven is dus een bont boek over van alles en nog wat. Maar ik moet er wel meteen bij zeggen dat Hanssen het zo vast niet bedoeld heeft. Zie alleen al zijn pompeuze brief van zeven pagina’s aan de overleden dichteres die als een soort inleiding aan het boek voorafgaat. Het is een warrig geheel, nauwelijks samen te vatten, met de nodige sweeping statements en geleerde zinnen: ‘Maar welk betekenispad de lezer ook kiest, hij zal zich altijd binnen het continuüm van het poëticale veld ophouden.’ Uit alles blijkt dat hij zijn taak serieus opvat. Let ook op de geleerde ondertitels van zijn hoofdstukken: ‘mythologie en exclusivisme’, ‘cultuurkritiek en literatuuropvatting’, ‘misantropie en occidentalisme’.

Hanssen wil, als ik het goed zie, Vasalis verdedigen tegen allerlei in zijn ogen onrechtvaardige aanvallen (van Kousbroek, Hermans, Mutsaers, Poll, Komrij, Barnas). Zelf heeft hij ook weer de nodige, maar dan weer andere kritiek op haar werk – wat voor het boek natuurlijk wel zo aardig is. Minder aardig is de wisselvalligheid van zijn eigen stijl. Hij schiet wel erg vaak door naar grote nietszeggende woorden, of naar opgeblazen literatuurwetenschappelijk jargon met projectieobjecten, narratieve inhouden, centraliteit en identiteitsreflectie, deterritorialisering en culturele mobilisatie, meerduidige betekenisdimensies, ‘een interpolaire dynamiek van zuigen en stuwen’ en andere duurspraak. Daarbij hoort ook het met veel pseudo-wetenschappelijke omhaal noteren van vicieuze redeneringen – als het bijvoorbeeld gaat om een inzicht ‘waarvan het plotselinge karakter wordt beklemtoond door het bijwoord „opeens”.’ Zo begint een nieuw hoofdstuk: ‘De verankering van Vasalis’ poëtische voorstellingen in de wereld van herkomst en wording van de auteur kan moeilijk worden overschat.’ Daar staat, denk ik, dat de gedichten van Vasalis vaak autobiografisch zijn.

Hanssen heeft een voorkeur voor het aanleggen van leuke lijsten: een lijst van alle dieren die Vasalis noemt, of van alle plaatsen waar zij het woord ‘gras’ gebruikt (of het woord ‘God’, of ‘dood’, of ‘ogen’). Het aantal voetnoten is enorm; de bibliografie is erg uitgebreid. De biografe, Maaike Meijer, zal er vast haar voordeel mee kunnen doen.

Een grote lijn kan ik in dit boek niet goed aanwijzen. Ik denk dat Hanssen het in zijn analyses vaak veel te ingewikkeld maakt, en er veel te veel bij haalt. Zo moeilijk is Vasalis nu ook weer niet. Ik denk ook niet dat het nu zo bijzonder is om te wijzen op de donkere en depressieve kanten van deze poëzie. ‘Verontrustend’ is dan het modewoord: ‘Vasalis is veel verontrustender dan altijd werd gedacht.’ Maar is dat wel zo? Zien de mensen haar als een lievige, beheerste, evenwichtige dichteres? Je hoeft maar even in haar werk te bladeren om te zien dat het geschreven is door iemand die weet heeft van melancholie en somberheid en die doordrongen is van het besef van de dood.

Ik kan niet zeggen dat mijn blik op het werk van Vasalis, of op de dichteres zelf, door dit boek van Hanssen nu veranderd is, maar toch heb ik het met plezier gelezen. Het is een onderhoudend en veelzijdig boek, en het geeft veel achtergronden, ook al kan deze poëzie het heel goed zonder die achtergronden stellen. Mooiste citaat, van Vasalis zelf, uit 1983, als antwoord op alle vragen naar haar persoon: ‘Ik ben niet „achter” het werk, maar er in.’

M. Vasalis: Verzamelde gedichten. Van Oorschot, 196 blz. € 25,–.