Gedoemd tot onmacht?

Het succes van de literaire non-fictie komt doordat ze zich afzijdig houdt van de actualiteit. Toch is ze niet alleen plattelandsidylle.

Han Ceelen & Jeroen van Bergeijk: Meer dan de feiten. Gesprekken met auteurs van literaire non-fictie. Atlas, 240 blz. € 19,90.

David Remnick: Reporter. De beste stukken uit de New Yorker. De Bezige Bij, 372 blz. € 24,90.

Literaire non-fictie is een intrigerend bestsellergenre. Met Geert Mak, Annejet van der Zijl, Frank Westerman, Joris Luyendijk en Judith Koelemeijer heeft het in Nederland zijn sterauteurs. Er zijn genoeg overeenkomsten te noemen tussen hun boeken – het is degelijk journalistiek of historisch onderzoek, maar het leest als een roman – maar wat hen nu precies met elkaar verbindt is nog best moeilijk te duiden. De interviewbundel Meer dan de feiten, gemaakt door Han Ceelen en Jeroen van Bergeijk, doet daar een poging toe. Naast de hierboven genoemde ‘harde kern’ komen ook schrijvers aan bod die met de meer reguliere achtergrondjournalistiek bezig zijn, zoals Gerard van Westerloo. Het blijkt een dunne scheidslijn. Want wanneer wordt een journalist een literaire-non-fictieschrijver? Als we de interviews mogen geloven: als die ontslag neemt bij de krant, jarenlang research gaat doen, elke nieuwsscoop als een ziekte vermijdt, en heel erg langzaam gaat schrijven.

Dat deze benadering honderdduizenden lezers trekt is opvallend. Boeken als Het zijn net mensen van Joris Luyendijk, El Negro en ik van Frank Westerman en Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer zijn eigenlijk behoorlijk concessieloos. Zo stelt Luyendijk de vertekenende mechanismen binnen de Westerse beeldvorming van het Midden-Oosten, inclusief die bij hemzelf, aan de kaak. En Westermans zoektocht naar de geschiedenis van de tentoongestelde opgezette Afrikaan is vooral een verslag van zijn eigen idealisme dat door de werkelijkheid overhoop wordt gehaald. Deze schrijvers problematiseren hun onderwerpen, in plaats van ze te simplificeren.

En dat staat in schril contrast met de manier waarop veel media hun publiek onderschatten uit angst het te verliezen. Veel mensen zijn kennelijk wél geïnteresseerd in de nuances, de misverstanden en misplaatste vooroordelen die de kop opsteken als je echt wil weten hoe de wereld in elkaar zit. En daar ligt ook precies wat deze schrijvers van de normale journalistiek onderscheidt. In het voorwoord van Meer dan de feiten verwoordt Sjoerd de Jong het helder: ‘Literatuur laat zien hoe complex, ambigu en ondoorzichtig de werkelijkheid is, of zelfs één enkel mensenleven, maar journalistiek, die een praktische en informatieve functie heeft voor een concrete lezersgroep, moet orde scheppen overzicht bieden, en oplossingen aanreiken. Literatuur én literaire non-fictie bloeien op bij dubbele bodems, paradoxen, ironie en dubbelzinnigheden, journalistiek gaat eraan ten onder.’

En inderdaad, uit de interviews blijkt dat de schrijvers in kwestie precies op die manier met de werkelijkheid omgaan. Het antwoord op de steeds terugkerende vraag over hoe ze denken dat hun werk zich ten opzichte van ‘de waarheid’ verhoudt, gaat vaak over de subjectiviteit van elke waarneming. Dat is dan ook de reden waarom er in de meeste literaire non-fictieboeken een expliciete ik-persoon fungeert. Joris Luyendijk gaat het diepst op de kwestie in. Zijn boek, en onlangs ook een opiniestuk in deze krant, kan gelezen worden als een oproep aan journalisten, met name buitenlandcorrespondenten, om opener te zijn over de talloze beperkingen die een volledig objectieve berichtgeving in de weg staan. Aan de ene kant is dat eerlijker tegenover het publiek, aan de andere kant stelt hij zich zo in staat om de strekking van de waarheid meer eer aan te doen, door soms ‘de waarheid te liegen’. Deze laatste uitspraak hebben veel romanschrijvers, en andere kunstenaars, gedaan. De maatstaven die de ondervraagde non-fictieschrijvers zichzelf opleggen op dit vlak variëren enigszins, maar allen zijn zich erg bewust dat hier het schemergebied ligt van hun métier. Wat vooral opvalt is hoe consciëntieus ze met dit vraagstuk omgaan.

Literaire non-fictie is geen nieuw genre. In de 19de en begin 20ste eeuw was beeldend schrijven in de journalistiek volstrekt normaal bij gebrek aan visuele media. In Nederland beleefde het een opleving in de jaren zeventig, vooral doordat tijdschriften als Haagse Post en Vrij Nederland veel tijd en ruimte voor reportages ter beschikking stelden. Daarna kreeg het een tijdje weer wat minder aandacht, tot de huidige heropleving, die in 1996 inzette met Geert Maks Toen God verdween uit Jorwerd. Maar wereldwijd is literaire journalistiek eigenlijk nooit weggeweest. Gevraagd naar hun inspiratiebronnen noemen de Nederlandse non-fictie-auteurs dan ook een heel scala aan voorbeelden, van Zola tot Bruce Chatwin. Een opvallend vaak terugkerende naam is die van de Pool Ryszard Kapuscinski, die veel schreef over landen in revolutie, zoals Ethopië in 1974 en Iran in 1979. Ook wordt het Amerikaanse New Journalism vaak genoemd, een stroming waarbinnen het tijdschrift The New Yorker de status van een instituut heeft gekregen.

Van de huidige hoofdredacteur van dat blad, David Remnick, is een selectie van zijn stukken uit de afgelopen tien jaar verschenen, Reporter. Het zijn lange reportages, stuk voor stuk over bekende mensen, dit in contrast met de Nederlandse literaire non-fictieschrijvers, die liefst over gewone mensen in alledaagse situaties schrijven. Dat laatste is niet gek gedacht, want zulke onderwerpen zijn een stuk beter bestand tegen het verloop van de tijd. Remnicks reportage over Al Gore uit 2004, die de voormalige ‘volgende president van de Verenigde Staten’ als net niet helemaal overtuigende goede verliezer schetst, is achterhaald. Na het wereldwijde succes van zijn klimaatfilm komt de suggestie van tragiek rond deze figuur niet meer over. Onbetaalbaar is wel de observatie die Remnick doet op de achterbank van Gore’s auto, als Gore na een avondje meet and greet van zijn vrouw Tipper handenreiniger krijgt aangereikt.

Remnicks stukken over de politieke toestand in Israël en Palestina na de dood van Arafat in 2004, Blairs ‘masochistische’ verkiezingscampagne van 2005, of de politieke ontwikkelingen in Rusland tijdens de eerste jaren onder Poetin geven toch het gevoel alsof je een oude krant aan het lezen bent. Hij moet de meeste van zijn stukken dan ook van een naschrift voorzien, waarin hij uitlegt wat er in de tussentijd gebeurd is. Reporter onthult op deze manier waarom reguliere achtergrondjournalistiek niet geschikt is voor boekvorm.

Is de huidige Nederlandse literaire non-fictie dan een boekengenre bij uitstek geworden omdat ze zich afzijdig houdt van de actualiteit, misschien wel een vorm van plattelandsidylle is? Veel auteurs lijken er wel zo over te denken. Jan Brokken, Annejet van der Zijl en Geert Mak bijvoorbeeld wijzen op de onzekerheid van snel veranderende tijden die mensen doet verlangen naar authenticiteit en die hun de waarde van hun eigen geschiedenis doet inzien.

Toch denk ik niet dat dat het hele verhaal is. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat literaire non-fictie een ander gevoel van herkenning teweeg brengt, één dat wel degelijk verbondenheid met de wereld en wat daar nu in gebeurt uitdrukt. Juist door aandacht te geven aan de weerbarstigheid van de werkelijkheid, door al te overzichtelijke wereldbeelden, ook die van henzelf, te ondermijnen, raken literaire non-fictie schrijvers een gevoelige snaar. De wetenschap dat de wereld eigenlijk te complex in elkaar zit om er zinvol in te handelen, dat goed bedoelde intenties een averechts effect kunnen hebben, zoals Frank Westerman over ontwikkelingshulp beschrijft, brengt een gevoel van machteloosheid teweeg. Dat er schrijvers zijn die recht doen aan deze problematiek, en desondanks in hun engagement volharden, zou wel eens een aandeel kunnen hebben gehad in hun succes. Toen Mak na de moord op Theo van Gogh zijn pamflet met de veelzeggende titel Gedoemd tot kwetsbaarheid publiceerde, vielen velen over hem heen, die even geen behoefte aan een genuanceerde visie hadden. Uit het toen gevoerde debat zou je hebben kunnen afleiden dat hij een minderheidsstandpunt vertolkte. Er zijn er inmiddels 50.000 exemplaren van verkocht. En Balkenende zich maar afvragen waar de geëngageerde schrijvers zijn.

Op di. 17 april (20u) debatteert Joris Luyendijk met drie hoofdredacteuren: Pieter Broertjes (Volkskrant), Birgit Donker (NRC) en Hans Laroes (NOS). Amsterdam, Muziekgebouw a/h IJ.