Endoscopisch onderzoek

Zevenentwintigste aflevering van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

Behalve zijn blad verliest een boom in de herfst ook een groot deel van zijn wortelgestel. Het watertransport wordt gestaakt, de fijne wortels verliezen hun functie en sterven af (ondergronds strooisel, noemt men dat). Wat er aan wortels overblijft, dient vooral voor die andere functie: verankering in de bodem.

Een boom overwintert onder de grond al bijna net zo kaal als daarboven. En in het voorjaar moet hij ook onder de grond weer op gang komen. Ad Olsthoorn is iemand die gezien heeft hoe dat gaat.

Hij is 53 en docent aan de Hogeschool Larenstein in Velp. Voor zijn proefschrift heeft hij zich indertijd, in het kader van een breder onderzoek naar verzuringseffecten in de natuur, verdiept in de wortelactiviteit van een tweetal douglassparren, de ene bij Kootwijk, de andere bij Speuld, allebei op de Veluwe.

Je graaft een gat op 1.30 meter van de boom, je fixeert aan de boomkant van dat gat een stalen plaat met 23 x 36 perforaties, je boort met een soort appelboor via die perforaties gangetjes met een diameter van 12 millimeter en een lengte van 32 centimeter en vervolgens ga je op gezette tijden met een endoscoop kijken wat er in die gangetjes gebeurt.

Olsthoorn: „Als een worteltop begint te groeien, verandert hij van bruin in wit. De eerste de beste witte worteltop die ik vond, groeide omhóóg. En na vier weken hield hij er al mee op. Twee jaar lang heb ik mij afgevraagd of hij nou dood was of niet. Toen groeide hij opeens verder.”

„Heb je ooit”, vraag ik, „het gevoel gehad dat je een boom met zijn wortels zag zoeken?”

„Nou”, zegt hij, „op een of andere manier identificeer je je wel met wat je ziet.”

„Heel die wisselwerking tussen wortels en kroon”, vraag ik. „Waar ligt het initiatief, waar zit het commandocentrum van de boom?”

„De volgorde is duidelijk”, zegt hij. „Eerst wordt het wortelstelsel in gereedheid gebracht. Als de watervraag komt, moet er geleverd kunnen worden. Bij een douglas gaat de wortelgroei anderhalve maand vooraf aan het uitlopen van de naalden, wat ook exact het moment is dat de diameter van de stam begint toe te nemen.”

„Dat is het moment dat de wortels beginnen te pompen?”

„Dat is het moment dat de kroon begint te zuigen!”

„Maar als je nou”, zeg ik, „een geknotte wilg ziet staan, volledig ontkroond, dat denk je toch: een boom kan wel zonder kroon, niet zonder wortels?”

„Dan”, zegt Olsthoorn, „speelt de opwaartse druk vanuit de wortels inderdaad een belangrijke rol. Maar ook dan komen er signalen van boven naar beneden – zo’n boom heeft tal van slapende knoppen op de grens van hout en bast.”

„Die worden dan wakker?”

„Die gaan dan aan het werk.”

Afijn, bij zijn douglassparren constateerde Olsthoorn al in april een behoorlijke wortelgroei, die in de loop van mei pas werd gevolgd door het opleven van de kroon. En wat hij ook precies kon volgen: herfstachtige effecten van langdurige droogte in de zomer, gevolgd door een zekere herhaling van de lente als het toch weer begon te regenen.

Nu zijn er, bij mij in ieder geval, nog vragen over de omtrek van het wortelstelsel. In de praktijk van de boomverzorging wordt die gelijkgesteld aan de omtrek van de kroon. Maar bij een door de wind ontwortelde boom zie je daar teleurstellend weinig van.

„Je moet eens opletten”, zegt Olsthoorn. „Bij een eik aan de rand van een suikerbietenveld – aan het verlepte bietenloof kun je zien tot waar die water aan de bodem onttrekt. Of bij brandnetels onder een robinia – dan zie je tot waar zijn wortelknolletjes stikstof afgeven.”

Hij stelt dat de omtrek van het wortelstelsel wel twee keer zo groot kan zijn als die van de kroon. Bij een regen staat een boom dus niet als een paraplu boven zijn eigen wortels, niet helemaal althans.