Een cursus Nederland

Désanne van Brederode: Brief aan een gelukzoeker. Stichting Maand van de Filosofie, 95 blz. €4,95

In haar columns voor het tv-programma Buitenhof presenteert filosofe en schrijfster Désanne van Brederode vaak verrassende invalshoeken en formuleringen. Zij is vooral goed in het blootleggen van onverwachte verbanden tussen de manieren waarop westerlingen met allochtonen omgaan en de manier waarop mannen vrouwen behandelen. Nu heeft ze voor de Maand van de Filosofie een essay geschreven, vormgegeven als een cursus Nederland voor buitenlanders verklaard, waarin ze uitvoeriger hierop ingaat.

Volgens Van Brederode zijn migranten een verrijking, puur door wat ze zijn. Alleen al door hun aanwezigheid en manieren van doen, schrijft ze, kunnen ze autochtonen dwingen om kortstondig of duurzamer te breken met hun gewoontes.

Dat klinkt redelijk, maar dit soort multiculturalisme is in de afgelopen jaren beduidend minder salonfähig geworden. Nieuwe argumenten tegen de recentere vormen van verzet tegen de multiculturele samenleving zal je hier niet zozeer vinden; wél draagt Van Brederode allerlei ideeën aan die de lezer moeten provoceren of prikkelen, zoals vergelijkingen tussen Wilders en Goebbels, of tussen moskeeën en McDonald’s, en haar suggestie dat immigranten niet onverlicht zijn maar zélf de Verlichting van de autochtone Nederlanders vormen.

In haar Buitenhof-columns werkt dat vaak verfrissend en verrijkend; maar werkt het ook in een lang essay? Hier wreekt zich het feit dat haar betoog niet echt een lijn of opbouw heeft. Ze stipt diverse actuele maatschappelijke kwesties en filosofische thema’s aan – van Verlichting tot vrouwenbesnijdenis en van de evolutieleer tot de Drie Dwaze Dagen bij de Bijenkorf – maar op geen ervan gaat ze in met een mate van analytische scherpte of diepgang die je als filosofisch kan kwalificeren.

Als literair essay mist Brief aan een gelukzoeker echter weer de stilistische kracht die Van Brederodes beste columns kenmerkt. Suggestieve ideeën heeft ze genoeg, maar toch irriteren veel van haar opinies; niet zozeer doordat ze zo tegendraads zijn, maar omdat ze zo voor de hand liggen. Daardoor vervalt ze op haar zwakste momenten in dezelfde zelfvoldane grachtengordelpraat die ze zo trefzeker ontmaskert. Van een essay voor de Maand van de Filosofie zou je wat meer filosofische substantie mogen verwachten.