De Ruyter II

Roelof van Gelder moet zijn huiswerk overdoen. Het paard is, in verband met Michiel de Ruyter, bekend uit het verhaal dat de Staten (van Holland, denk ik) hem genood hadden op een feestje, en hem op een bokkig paard zetten, waar hij van afviel. Bij een tegenbezoek van de Heren op zijn schip luidde de instructie aan een bootsman: `zodra ik mijn glas hef vuur je alle kanonnen aan bakboordszijde tegelijk af.` De Heren lagen, De Ruyter stond, en sprak: `Ziet U, mijne heren, dat is nu mijn paard!`

Ik heb dit gelezen in W.A. Elberts, Tafereelen uit de Vaderlandsche Geschiedenis, omstreeks 1930. Het staat vast ook wel in een van die heerlijke jongensboeken van J.J. Stamperius. En dan is er dat andere liedje (in Veldkamp en De Boer, Kun je nog zingen, zing dan mee): `Ik zing er al van een Ruyter koen, maar niet van een ruiter te paard` (een paar bladzijden voorbij de blauw geruite kiel, die volgens Roelof van Gelder te duur geweest zou zijn, waar hij best gelijk in kan hebben). En het gaat verder: `Gij Vlissinger Michiel, ruiter koen, Wij zadelen niet meer ons paard. Maar ooit zal het brieschen en slaan als weleer, / Toen gij er nog meester op waart`. Deze dichter kende dus het verhaal wél.

W.C. Mulder, Den Haag

Naschrift Roelof van Gelder

Een paard of een paardlijn is inderdaad een touw, parallel onder een ra lopend, waarop de matrozen stonden bij het aanslaan en innemen van het zeil. Het is onwaarschijnlijk dat de door jicht en nierstenen geplaagde admiraal zich daar ophield.

De anekdote over De Ruyters wraak op de heren landrotten komt niet voor bij de vroegste biograaf van De Ruyter, Gerard Brandt, noch in de wetenschappelijke literatuur,misschien wel in een van de vele jongensboeken.