De PvdA-spagaat

Onder de titel Verloren Slag heeft de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, vorige week een bundel uitgebracht met scherpe analyses van de verkiezingsnederlaag. Volgens de redacteuren Frans Becker en René Cuperus, beiden werkzaam bij de WBS, is de electorale positie van de PvdA instabiel en kwetsbaar geworden. Dat heeft meer oorzaken dan een slechte verkiezingscampagne.

De partij wordt volgens Becker en Cuperus uiteengereten door een dubbele spagaat: tussen de hang naar traditie en de zucht tot vernieuwing en tussen links en het midden. Niet dat je van die tweestrijd in het verkiezingsprogramma veel terugzag. Dat bediende immers vooral het traditioneel-linkse deel van de achterban.

In De Wouter Tapes, die de VPRO twee weken geleden uitzond, zagen we partijleider Bos in eenzelfde spagaat. In de eerste aflevering werd meteen duidelijk hoe weinig Wouter opheeft met het buitenland. Daarin noemt hij bouwen aan een internationaal netwerk ‘verschrikkelijk’.

Dat mag opmerkelijk worden genoemd voor iemand die als expat achtereenvolgens in Roemenië, Hongkong en Londen heeft gewerkt. Een uitzondering maakt hij voor de club Policy Network van Tony Blair, want daar zijn tenminste discussies van ‘hoog niveau’. Bos wordt er verwelkomd als de „meest originele en uitgesproken intellectuele leider van Europa”.

Wouter neemt de lovende woorden van Peter Mandelson charmant in ontvangst, om zich vervolgens hardop af te vragen waar het verschil in perceptie toch vandaan komt. Internationaal wordt hij gezien als een grote belofte die veel aan vernieuwing heeft gedaan, terwijl Wouter zich in eigen land steeds moet verdedigen tegen kritiek dat hij nergens een mening over heeft, en dat hij te kleurloos is.

Maar mij verbaast dat helemaal niet. In een vraaggesprek met Roger Cohen dat is afgedrukt in de International Herald Tribune van 18 oktober 2005 spreekt Bos klare taal.

„In Nederland”, zo zegt Bos, „hebben allochtonen een veel grotere kans dan autochtonen om laagopgeleid, werkloos of ziek te zijn, of om een strafblad te hebben. Als we daar niets aan doen, dan zal de belasting betalende, autochtone middenklasse zich gaan afvragen: betaal ik nou belasting voor mezelf of betaal ik belasting voor hen?”.

De analyse van Bos is helder. Nu de maatregelen nog. Volgens het PvdA-verkiezingsprogramma diende een deel van de hervormingen in de sociale zekerheid te worden teruggedraaid, zou de aanrechtsubsidie in stand blijven en mocht niet worden getornd aan de WW. Bijstandsmoeders met kinderen jonger dan vijf jaar worden in het regeerakkoord vrijgesteld van de sollicitatieplicht.

Maar met dit soort uitkeringssocialisme werkt Bos de sociale tweedeling juist in de hand. De arbeidsmarkt is de enige plek waar mensen uit verschillende sociale milieus en van verschillende etnische achtergronden elkaar tegenkomen. Daarvoor is dan wel nodig dat meer dan nu aan arbeidsdeling wordt gedaan, anders komen laagopgeleiden nog steeds niet aan bod. Gediplomeerde verpleegkundigen moeten naast het aanleggen van infusen niet tevens de nachtkastjes van patiënten gaan soppen, om maar een voorbeeld te noemen.

Bovendien, is er iemand die gelooft dat de Tilburgse imam Ahmed Salam zijn geloofsgenoten zou hebben opgeroepen om zich af te keren van de Nederlandse samenleving als die het risico zouden lopen om hun uitkering te verliezen? De Marokkaanse economie is voor 19 procent afhankelijk van de financiële steun van Marokkanen die elders wonen (volgens de officiële cijfers van de Marokkaanse overheid gaat het om iets meer dan 10 procent).

Volgens Becker en Cuperus tekent zich ook nog een ander electoraal breukvlak af, namelijk dat tussen hoog- en laagopgeleiden, tussen de winnaars en de verliezers van de modernisering, tussen toekomstoptimisten versus toekomstpessimisten. Dit werd volgens de auteurs duidelijk bij het referendum over het Europees grondwettelijk verdrag, waar die laatste groep een luid en duidelijk ‘nee’ had laten horen.

Ook hier koos de PvdA in het verkiezingsprogramma onverkort de kant van de pessimisten. Europa moest niet beter, maar Europa moest vooral anders, en liefst ook meteen een onsje minder.

Maar juist als je pessimistisch bent over de toekomst en als je denkt dat je als verliezer uit het globaliseringsproces tevoorschijn zult komen, zou je voorstander moeten zijn van een sterke Europese Unie. Alleen op Europees niveau kan immers iets worden uitgericht tegen de oneerlijke concurrentie door China, tegen de toenemende macht van de hedgefondsen en tegen het broeikaseffect, om een paar actuele onderwerpen te noemen. Door je van Europa af te wenden houd je de globalisering, de hedgefondsen en de milieuvervuiling niet tegen. Je verspeelt alleen wel je positie op het wereldschaakbord, en daarmee je laatste kans om nog enige invloed op de gang van zaken uit te oefenen.

Tot slot waarschuwen Becker en Cuperus in hun bijdrage aan Verloren Slag voor het rücksichtslos hanteren van een om-en-omsysteem van man/vrouw op de kandidatenlijst voor de Tweede en Eerste Kamer, als daar geen goed systeem van scouting, rekrutering en training aan ten grondslag ligt. Ze spreken in dit verband van ‘zelfdestructief feminisme’.

Maar laten we wel wezen. Als het feminisme in de jaren ’70 in Nederland beter was beklijfd, en Nederlandse vrouwen destijds op een betekenisvolle manier aan het werk waren gegaan, zoals in de Scandinavische landen is gebeurd, waren er veel minder gastarbeiders uit Marokko en Turkije naar Nederland gekomen. Ongetwijfeld zou in dat geval zowel het integratievraagstuk als het politieke landschap een stuk overzichtelijker zijn geweest dan nu het geval is.