De dubbelganger van Schliemann

Peter Ackroyd: The Fall of Troy. Chatto & Windus, 215 blz. €30,–. Een Nederlandse vertaling verschijnt in juni bij Meulenhoff.

De meeste bewonderaars, liefhebbers, gretige lezers en andere kenners van het werk van Peter Ackroyd hebben tijden doorgemaakt waarin zij even niet meer van hem wilden horen. Dat kwam vaker voor na zijn romans dan na zijn alomvattende biografieën (Dickens, Blake, Shakespeare en anderen); en het meest bij wat hij ook een biography noemde, het boek over Londen waarmee hij bevestigde wat kenners allang dachten, dat er werkelijk geen straat en geen plein, geen kerk en geen perk van die stad is of hij kan er de geschiedenis van vertellen.

Dat wij dat al dachten kwam door zijn romans, die bijna altijd in het oude Londen spelen, en daar schrijft hij over alsof hij er heeft rondgewandeld. Of het nu de 17de, 18de of 19de eeuw is: Ackroyd is er geweest. Een flink aantal van die boeken zijn onvergetelijk in hun kleur en geluid, zoals Hawksmoor waarin de hoofdpersoon de architect is die omstreeks 1700 een aantal Londense kerken heeft gebouwd. Was de stad toen werkelijk, veertig jaar na de kaalslag van de Grote Brand van 1666, zo donker en geheimzinnig als daarin uitgebeeld?

En nu is er bij verrassing een roman van Ackroyd waarin Londen alleen terloops wordt genoemd. The Fall of Troy speelt zich af in en bij Hisarlik in Turkije, omstreeks 1870, toen Heinrich Schliemann er ging graven om te bewijzen dat daar het Troje van Homerus gelegen had. De hoofdpersoon is dan ook archeoloog (autodidact) die de gedrongen gestalte van Schliemann heeft en datzelfde werk gaat doen, hoewel onder een andere naam: hij heet Obermann. Ackroyd heeft ook de vrijheid genomen om zijn leven anders te laten verlopen, tot aan een vervroegde dood toe.

Hoe moet Obermann gezien worden, gemengd uit historie en verzinsel? Voordat die vraag is beantwoord heeft de potige Duitser zich al verzekerd van een plaats in onze verbeelding, wanneer hij in Athene verschijnt om met een vrouw te trouwen die hij niet eerder kende, en met haar afreist over de Aegeïsche Zee. Bij Hisarlik gaan dan de spaden in de grond en het duurt niet lang of de ruïnes komen aan het licht. Obermann blijkt gelijk gehad te hebben dat Troje daar lag, en dat verbaast hem niet. Hij is een zelfverzekerde, belezen, onderzoekende, humorloze man, die, net als de ware Schliemann, zoveel geld verdiend had in zaken dat hij zich kon veroorloven om dit project zelf te financieren.

In zijn levensverhaal, dat Ackroyd omgebouwd heeft om er een roman van te maken, treden nog twee andere hoofdpersonen op: Sophie, de Atheense echtgenote, en een jonge Engelse classicus genaamd Thornton, die uitgenodigd is om de inscripties op de stenen tabletten uit de opgraving te ontcijferen; Obermann is namelijk niet zo geschoold dat hij dat zelf kan.

Sophia komt erachter dat haar echtgenoot al eerder getrouwd is geweest, met een vrouw die krankzinnig is geworden en van wie hij niet heeft kunnen scheiden. Thornton ontdekt dat de teksten op de stenen in een variant van Sanskriet gesteld zijn, en niet in het Grieks, wat Obermann zo onvergeeflijk in strijd vindt met zijn verwachting dat hij het huisje waar Thornton ze onder zijn hoede heeft, laat afbranden. Deze verwikkelingen zijn mooi bedacht en verteld, en zij worden keihard gecompleteerd door de vroege dood van Obermann, vertrapt door een paard genaamd Pegasus, waar zijn eigen zoon uit het verzwegen eerdere huwelijk op rijdt.

Wat beleef je eigenlijk aan zo’n verhaal waarin geschiedenis en verzinsel zo onverbloemd samengaan? Het blijkt dat deze dubbelzinnigheid onder het beheer van Ackroyd op het levensgevoel van de lezer een vreemde opwekkende werking heeft, te meer als er een paar kleine mirakels bij voorkomen. Terwijl Obermann gecremeerd wordt te midden van de opgravingen klinkt er bijvoorbeeld van de beroemde naburige berg Ida een donderslag, onverklaarbaar en geloofwaardig – die kwam nog van Troje, dat begrijpt iedereen.