Bovary en de andere dieren

De Maand van de Filosofie is dit jaar gewijd aan het ‘redelijke beest’. In de literatuur heerst nog steeds onwennigheid om de mens in het licht van de evolutie te zien. Een nieuwe stroming probeert daar iets aan te veranderen. Wat levert het op?

Voor het ‘beest’ in de mens heeft de literatuur altijd wel een plaatsje vrij. Hoe vaak worden vernuft en verbeelding niet aangewend om te laten zien wat er gebeurt als de dierlijke driften bij de personages de overhand krijgen. Niet zelden is de afloop catastrofaal. Dat was al zo in La bête humaine van Emile Zola, waar drankzucht en erfelijkheid leiden tot een gevecht op leven en dood tussen de beide hoofdpersonen, nog wel op een stuurloos voortrazende locomotief. Niet minder loopt het uit de klauwen – om een recent voorbeeld te noemen – in Arnon Grunbergs vorige week met de Gouden Uil bekroonde roman Tirza, wanneer bij de ‘overbodige’ vader Jörgen Hofmeester het ingedutte ‘roofdier’ ontwaakt.

Dat het zo vaak mis gaat, getuigt niet van veel vertrouwen in ‘het redelijke beest’ dat de mens is volgens degenen die dit jaar het thema voor de Maand van de filosofie hebben bedacht. In de genoemde romans vinden we niet zoveel redelijkheid, des te meer beestachtigheid, zij het vooral in de figuurlijke, negatieve zin van het woord. Is dat terecht? Wie zal het zeggen. De mens is een wonderlijk, complex en tegenstrijdig wezen – vandaar dat we er zowel in het echt als in de literatuur nog altijd niet op zijn uitgekeken.

Maar dat de menselijke beestachtigheid zo negatief wordt geduid, wijst ook nog op iets anders, en wel op een grote onwennigheid – althans in de literatuur – om de mens in het licht van de evolutie te zien. Hoewel het in de wetenschap sinds Darwin heel gewoon is om mens en dier op te vatten als een continuüm, zonder daar een speciale waarde aan te verbinden, hebben de schrijvers daar moeite mee, uitzonderingen als Anton Koolhaas of Charlotte Mutsaers daargelaten. Als ze het doen pakt het zelden uit in het voordeel van de mens, alsof ze eigenlijk, diep in hun hart, een hoger en nobeler mensbeeld koesteren.

Zo gek is dat misschien ook niet. Want god mag dan, behalve voor simpele gelovigen, hebben afgedaan, in zijn roman heerst de schrijver – in navolging van Flaubert – nog altijd als een ware godheid. Onwillekeurig straalt iets daarvan af op de personages, ook al zijn zij gedoemd om in de praktijk altijd beneden het niveau van hun geestelijke vader te blijven. Als we het literair darwinisme mogen geloven, is er met dat laatste niets aan de hand en verdient eerder de ‘goddelijke’ status van de schrijver ons wantrouwen.

Literair darwinisme? De term klinkt inderdaad niet erg vertrouwd. De eerste schreden op dit literair-kritische pad zijn dan ook van zeer recente datum. Maar aarzelend kunnen ze nauwelijks genoemd worden, getuige de vele doortastende interpretaties van evolutiepsycholoog David P. Barash en zijn dochter Nanelle R. Barash in Madame Bovary’s Ovaries. A Darwinian Look at Literature (2005). Of het nu gaat om Othello, de heldinnen van Jane Austen of Madame Bovary – steeds weten vader en dochter Barash een sluitende darwinistische verklaring voor hun gedrag te vinden, geïnspireerd door sociobiologie, evolutiepsychologie en ethologie.

Ze vergelijken de personages met andere dieren en detecteren de onbewuste maar daarom niet minder dringende biologische beweegredenen, die bijna steeds gericht zijn op een optimale vermenigvuldiging van het eigen genetische materiaal. Zo is Othello’s seksuele jaloezie ingegeven door de angst dat Desdemona hem straks voor andermans kinderen zal laten opdraaien. Madame Bovary speurt in haar minnaars naar vaders voor haar nageslacht die geschikter zijn dan haar slappe echtgenoot en ook bij Jane Austens vrouwelijke personages draait het steeds om de evolutionair meest voordelige partnerkeuze – volgens Darwin hadden vrouwen daarover gewoonlijk het meest te vertellen.

Het criterium is keer op keer: evolutionaire fitness, de belofte dat ons DNA zich onder de best mogelijke condities zal vermenigvuldigen. Niets anders gaat er schuil achter onze ontvankelijkheid voor schoonheid, rijkdom of sexappeal. Hoe vermakelijk en smeuïg de beide auteurs hun bevindingen ook onder woorden brengen, op den duur krijgen de interpretaties toch iets eentonigs. Literaire kritiek verandert in een vorm van aapjes kijken. De personages hebben weliswaar amper een idee wat zij doen en ook de schrijver is zich er lang niet altijd van bewust, maar de literaire darwinist weet het des te beter. Zonder pardon wordt de menselijke psychologie herleid tot enkele basale evolutionaire behoeften.

In zijn fascinerende boek Echte filosofie heeft Th.C.W. Oudemans het over de ‘grote reductie’, waardoor de mechanica ook tot het domein van het leven wordt uitgebreid. Welnu, in het literaire darwinisme zien we die grote reductie aan het werk, al zijn David en Nanelle Barash nog wel zo bescheiden om hun interpretatie niet als de enige sleutel tot alle literatuur te zien.

Veel minder terughoudend is de Amerikaanse hoogleraar Engelse letterkunde Joseph Carroll in zijn boek Literary Darwinism. Evolution, Human Nature, and Literature (2004), die voorspelt dat het darwinistisch paradigma binnen 20 jaar de sociale wetenschappen zal domineren en daarna, met iets meer vertraging, de humaniora en de literatuur. Hij beperkt zich er niet toe het darwinisme aan te bevelen, hij gaat tevens tekeer tegen alle huidige concurrenten, zoals het poststructuralisme en het deconstructivisme: met hun ontkenning van een universele menselijke natuur en hun geloof in de autonome willekeur van de cultuur zijn ze simpelweg niet waar, aldus Carroll. De mens blijft altijd gebonden, hoe dan ook, aan zijn biologische basis.

Wat is precies de aard van de reductie die plaats vindt als je die gedachte loslaat op de literatuur? Om te beginnen betreft het een reductie van de literaire tekst tot de personages. Om hun karakter en hun lotgevallen gaat het. Voor literaire darwinisten bestaat grote literatuur (Homerus, Shakespeare, Flaubert, Tolstoj) eigenlijk alleen uit een weergave van de menselijke natuur, waarin iedereen zich kan herkennen. En, zo stelt men in een fraaie cirkelredenering, daarom verdient deze literatuur het om groot te worden genoemd.

Wat zo uit het zicht verdwijnt is vorm, stijl, genre, compositie – in feite alles in roman, verhaal of gedicht wat niet meteen als realistische weergave van de menselijke natuur kan worden opgevat. De geloofwaardigheid van de karakters is het enige waar het op aankomt. David en Nanelle Barash schrijven wel dat Shakespeare’s Othello ‘wonderfully written’ is, dat bij Jane Austen de ‘gevatheid’ van de personages zo geweldig is en ze zingen de lof van Flauberts ‘exquisite evocative language’, maar uiteindelijk zijn de personages als universele typen doorslaggevend. ‘Madame Bovary, c’est nous’, had Flaubert volgens hen moeten zeggen.

Welbeschouwd behelst dit literaire darwinisme een verrassende terugkeer van het oude classicisme, waarvan de ‘nabootsing van de (menselijke) natuur’ de kern uitmaakte. Aan dit principe uit Aristoteles’ Poetica voegt het darwinisme een wetenschappelijke verklaring toe, terwijl alles wat verder tot de literatuur kan worden gerekend buiten beeld blijft. Je zou ook kunnen zeggen: het literaire darwinisme streept de romantiek door en alles wat die aan de literatuur (van esthetische autonomie tot geniale expressie) heeft toegevoegd.

Een andere reductie is dat het op grond van een darwinistische interpretatie niet goed mogelijk is om recht te doen aan de verschillen tussen een meesterwerk en een keukenmeidenroman: het een is hoogstens wat gecompliceerder dan het ander en vergt iets meer moeite van lezer en criticus. Maar waarom Othello beter is dan al die andere drama’s waarin seksuele jaloezie een rol speelt, kan een literaire darwinist onmogelijk vertellen.

Vader en dochter Barash maken zich er niet druk om. Carroll daarentegen vindt dat het literaire darwinisme veel meer zou moeten kunnen. Het is voor hem niet alleen een manier om literatuur te interpreteren, het moet ook het verschijnsel literatuur verklaren vanuit een evolutionair perspectief. En het zou ook zaken als verteltechniek, stijl en genre moeten kunnen verklaren. Zover is het nog lang niet. Het enige waarvoor darwinisten al wel verklaringen hebben bedacht is voor het feit dat mensen literatuur (of kunst in het algemeen) voortbrengen en genieten.

Een goed begin ziet Carroll in de verklaring van sociobioloog Edward O. Wilson in zijn boek Consilience. The Unity of Knowledge (1998), volgens welke de kunsten zijn ontstaan om orde te scheppen in de verwarring die het gevolg was van de toegenomen intelligentie van de eerste mensen. Tussen hun dierlijke of instinctieve vermogens en de mogelijkheden die de intelligentie hun voorspiegelde was een kloof ontstaan, en die werd gevuld door de kunsten: zij creëerden een gesimuleerde werkelijkheid die zich via ritueel en magie makkelijker liet bedwingen dan de echte. Met andere woorden, dankzij de kunsten slaagde de mens erin zich in zijn vreemde wereld een beetje thuis te voelen, iets wat zijn overleven en reproductie uiteraard alleen maar ten goed kwam.

De ironie wil dat de romantische literatuur tot op zekere hoogte een soortgelijke rol voor zich heeft opgeëist. Haar zelfopgelegde taak was het namelijk om de kloof te dichten die was ontstaan tussen ervaring en kennis als gevolg van de nieuwe natuurwetenschappen – volgens Oudemans de eerste fase van de ‘grote reductie’. De mathematisering van de natuur en de overgang van een geocentrisch naar een heliocentrisch wereldbeeld waren voor de zintuiglijke waarneming moeilijk te volgen, terwijl de moderne techniek dichter bij huis voor een toenemende arbeidsdeling en vervreemding zorgde. Hiertegen bood de romantische poëzie zich aan als remedie: onder meer met behulp van uit de wetenschap gestoten kennisvormen als mythologie, astrologie en alchemie (die in het esthetische domein een tweede, ditmaal symbolisch leven hadden gekregen) zou zij de vervreemding opheffen en de verbroken band tussen mens en wereld herstellen.

Het literaire darwinisme staat hier haaks op. Niet zozeer omdat het deze romantische pretenties negeert en teruggrijpt op een classicistische poëtica, maar omdat het in de verklaring van het menselijke gedrag en dus in de interpretatie van de literaire personages eenzelfde vervreemding terugbrengt als die welke de romantiek pretendeerde te bestrijden. Opnieuw opent zich een kloof tussen kennis en ervaring. Want wie ervaart zichzelf en zijn gedrag nu volgens de verklaringen van het darwinisme, dat wil zeggen op grond van onbewuste biologische drijfveren die hun ratio vinden in een onwaarschijnlijk ver verleden? Daarmee wil niet gezegd zijn dat die verklaringen niet kloppen, alleen dat ze niet corresponderen met onze subjectieve ervaring.

Een evolutie zonder doel, zich voltrekkend via aanpassing en natuurlijke selectie, is als oorsprong en motor van het biologische leven dat wij zijn niet minder vreemd en vervreemdend dan het oneindige universum waarin de aarde ronddraait als onderdeel van een van de talloze zonnestelsels. Dus wat is de zin van een darwinistische interpretatie van kunst en literatuur? Een darwinist zal zeggen: die zin zit in de waarheid van de verklaring en dat is ook het argument dat Carroll gebruikt tegen concurrerende interpretaties als het freudianisme en het marxisme. Maar tegelijkertijd is er het gevaar dat de darwinistische interpretatie met zijn vervreemdende waarheid juist aan de zin van kunst en literatuur (namelijk dat we ons een beetje thuis voelen in de wereld) afbreuk doet.

‘Human kind / cannot bear very much reality’, dichtte T.S. Eliot in zijn Four Quartets. Of zou het kunnen dat de vervreemding op den duur afneemt en dat de ervaring zich voegt bij de kennis? Bij de kennis van het heliocentrisme is dat tot nu toe nooit helemaal gelukt. Dat verraadt ons de taal, waarin de zon nog altijd – net als in het geocentrische wereldbeeld – opkomt en ondergaat. Een andere bron van vervreemding waarover de romantici zich zorgen maakten, de technologie, lijkt ons nu echter veel minder dwars te zitten. Iemand die in alle ernst zegt, terwijl hij tegenover je in een stoel zit: ‘ik sta om de hoek geparkeerd’, ervaart zijn auto niet meer als iets vreemds; hij valt er eerder mee samen, net zoals bijna niemand meer stilstaat bij het wonder van zijn computer, tenzij die kapot gaat.

De wetenschap, zou je hieruit kunnen afleiden, blijft vreemd, de technologie wordt al snel vertrouwd. De wetenschap hoort bij het denken, de technologie bij het doen. En waarbij hoort het ‘beest’ dat we zelf zijn? In zekere zin bij allebei. Want als we ons dierlijk gedragen ofwel ons instinct volgen is er in principe niets aan de hand; pas als we over onze dierlijkheid nadenken, hebben we het idee niet meer met onszelf samen te vallen en wanneer we er dan over schrijven kan het beest in ons gevaarlijke, ja zelfs catastrofale trekken krijgen, zoals bij Zola of Grunberg.

Hoe zou een literaire darwinist dit merkwaardige fenomeen nu verklaren?

David P. Barash en Nanelle R. Barash: Madame Bovary’s Ovaries. A Darwinian look at Literature. Delta, 72 blz. € 15,99 Joseph Carroll: Literary Darwinism. Evolution, Human Nature, and Literature. Taylor & Francis, 336 blz. € 27,99