Boksers kunnen niet vluchten

Jan van Mersbergen: Morgen zijn we in Pamplona. Cossee, 192 blz. € 16,90

Hoe lang kan een schrijver met ieder boek beter worden? Jan van Mersbergen heeft zich sinds zijn debuut in 2001 (De grasbijter) via De macht over het stuur (2003), en De hemelrat (2005) met regelmatige stappen ontwikkeld. Zijn hoofdpersonen zijn steevast zwijgzame jonge mannen, die zich amper raad weten met de wereld en zich ongemakkelijk afvragen hoe ze zich tot vrouwen moeten verhouden.

Na een boerenzoon, een autocrossende bouwvakker en een laboratoriumassistent heeft Van Mersbergen voor zijn vierde roman Morgen zijn we in Pamplona een bokser als hoofdpersoon gekozen. Een bokser die in de regen door de straten van Amsterdam rent. ‘Iedere passant zal denken dat hij aan het trainen is, maar hij loopt harder dan normaal, zijn ademhaling is ongecontroleerd en zijn ogen zijn groot’. Inderdaad, Danny Clare is een bokser op de vlucht. Hij belandt op een tankstation, steekt zijn duim op en ziet een gezinswagen stoppen. Waar of hij heen wil? ‘Hij wijst de snelweg af, en op dat moment wakkert de wind aan, de regen stuitert op de motorkap en de man zegt dat hij mee kan.’

De bestuurder blijkt een verzekeringsman, Robert, op weg naar zijn jaarlijkse uitje: het Fiesta de San Fermín in het Spaanse Pamplona en preciezer, de encierro, waarin honderden Spanjaarden en beschonken buitenlanders door de straten van de stad rennen, opgejaagd door de stieren die later op de dag in de arena bevochten zullen worden. Met een ‘geef maar een seintje als je er echt uit wilt’ van Robert wordt het beklonken: Danny gaat mee naar Pamplona.

Zo bestaat het grootste deel van de roman uit scènes voor twee mannen in een auto. Waarbij de ene (Robert) wil praten en de ander wil zwijgen. En waarbij de een voor eventjes het gevaar wil opzoeken waar de ander beroepsmatig middenin zit. Een bedevaart is het ook voor beiden. Want Robert werpt zich niet alleen op als biechtvader voor zijn passagier, hij vertelt dat ‘Pamplona’ voor hem ook een vorm van boetedoening is: voor de kleine zonden van zijn Vinex-bestaan.

Danny’s vlucht is er een met ernstige redenen, zo blijkt wanneer hij de autoradio niet aan wil: ‘niet dat gelul’. De precieze voorgeschiedenis, wordt langzaam duidelijk uit de herinneringen van de bokser aan zijn bestaan de laatste maanden, met daarin een prominente rol voor een vrouw.

De eerste keer dat je Morgen zijn we in Pamplona leest word je voortgestuwd door de dubbele spanning: wat gaat er gebeuren in Pamplona en wat is er met Danny gebeurd in Amsterdam?

De tweede keer valt je op met hoeveel zorg Van Mersbergen zijn personages en thema’s uitwerkt. De kernvraag in de roman is vluchten of vechten. Robert is een man die weloverwogen en volgens plan voor de vlucht kiest: hij vlucht ieder jaar een paar dagen naar Pamplona om daar verder te vluchten voor de stieren. Danny is een vechter. Zijn vlucht is geïmproviseerd, hij heeft ook geen talent om te vluchten. Een bokser kán immers ook niet vluchten: dan loopt hij tegen de touwen aan en veert hij terug de ring in.

Een vergelijkbare tegenstelling zit in de beheersing die de beide mannen aan de dag leggen. Robert heeft een uitlaatklep georganiseerd, Danny weet dat zijn krachten te groot zijn om ze te kunnen beheersen. Dat maakt Van Mersbergen mooi duidelijk in een van de talloze subtiele scènes in het boek. Danny speelt gedachteloos met een speelgoedautootje van het zoontje van Robert, tot het deurtje ervan afbreekt. ‘Danny pakt het portier op, steekt het in de auto en stopt het autootje in het dashboardvakje. Na een tijdje zegt Robert: Ik zag het wel.’ Danny: ‘Het ging per ongeluk’. Robert, even later: ‘Trek het je niet aan. Die dingen gebeuren.’

Het dialoogje laat zien hoe bedreven Van Mersbergen is in het oproepen van een sfeer. De ongemakkelijke intimiteit van de autorit, de goedhartigheid van deze twee mannen op weg naar een macho-evenement par excellence – het zit er allemaal in. Zo krijgt Van Mersbergen je steeds weer waar hij je hebben wil door veelzeggende details: dat het niet in Danny opkomt zijn autogordel om te doen; dat hij er ongemakkelijk bij zit in zijn drijfnatte T-shirt.

De derde keer dat je Morgen zijn we in Pamplona leest (en ongetwijfeld ook de vierde en de vijfde keer) is het steeds weer de subtiele pracht van de scènes in de auto die je bij de lurven grijpt: soms hebben de gesprekken van de mannen de trekken van een gevecht, vooral wanneer de bokser probeert te ontsnappen aan de vragen van zijn liftgever (‘Als je nog een ding vraagt zet ik de auto stil’). Maar juist op die momenten wordt duidelijk hoe intiem een gevecht juist is. Het contrast met de ijskoude seksscènes die in de flashbacks worden beschreven, is treffend.

Zo ben je geneigd de roman als een liefdesverhaal te lezen, maar dat voert te ver. Wel kun je veilig stellen dat de vólgende Van Mersbergen werkelijk niet beter kan zijn dan Morgen zijn we in Pamplona.