Bestaat aardrijkskunde eigenlijk nog?

Ik blader door de gisteren gepresenteerde 53ste editie van De grote Bosatlas, en vraag me na een eerste verkenning af: bestaat aardrijkskunde eigenlijk nog wel?

Soekarno schijnt tot aan z’n dood te hebben onthouden over welke waterwegen je van Roodeschool naar Goes kon komen, en die had nog nooit een stap in Nederland gezet. Maar als Indonesisch kind leerde hij Nederland kennen uit atlassen die sinds 1877 allemaal op naam van Bos werden verspreid of die aan de cartografische opvattingen van Bos waren ontleend. Vergeet daarbij niet dat de evergreen onder de schoolboeken tot de 36ste druk uit 1939 alle nadruk legde op de topografie van Nederland en koloniën. Het verantwoordelijke uitgevershuis zetelde ook in zowel Groningen als Batavia.

Díe aardrijkskunde bedoel ik. De aardrijkskunde van het kaartenboek waaruit je in mijn tijd de elf eigen provincies met hun hoofdsteden moest kennen, alvorens je aan de grotemensenlanden mocht beginnen. Tegen de tijd dat je ook die onder de knie had, was je rijp voor het voortgezet onderwijs, en kon je het gevoel koesteren dat je de hele wereld had ingelijfd.

Passend begrip, inlijven.

Er heeft altijd een relatie bestaan tussen oorlogvoering en cartografie. Schippers van de Verenigde Oostindische Compagnie, imperialisten onder de vlag van koopmanschap, waren zuiniger op hun kaarten dan op hun drankvoorraad. Routegegevens mochten voor geen goud in handen vallen van de concurrent. De Tocht naar Nieuwpoort was bijna mislukt omdat de legertros van prins Maurits tussen Sas van Gent en de Belgische kust voortdurend de weg kwijtraakte in het Vlaamse Noordwesten. Drie eeuwen later zouden de Internationale Brigadisten die in Spanje tegen Franco vochten trouwens steen en been klagen dat ze zich in een volstrekt onbekende omgeving moesten behelpen met verouderde Michelinkaarten.

Landen met een goed ontwikkelde xenofobie hechtten er ook veel belang aan hun infrastructuur zo onbekend mogelijk te houden. In de Sovjet-Unie kon je als vreemdeling niet alleen geen telefoonboek raadplegen, maar waren ook nauwelijks serieuze wegenkaarten of stratenplannen beschikbaar. Hadden de tsaren van Rusland al niet met voorbedachten rade spoorrails laten aanleggen met een van Europese bielzen afwijkende breedte?

Maar tegen de Bosatlas was tenslotte geen kruid gewassen.

De zegetocht van Bos – en van uitgever Wolters, niet te vergeten – begon natuurlijk met de Thorbeckiaanse variant van de kenniseconomie,om precies te zijn halverwege de jaren zestig van de 19de eeuw, toen nieuwe, ‘middelbare’ schooltypes een onstuimige vraag naar nieuwe leermiddelen teweegbrachten.

Is het al te overdreven daar meteen ook de Europese veroverzucht van de eeuw bij te betrekken? Niet alleen uit leergierige belangstelling, of uit behoefte om de wereld te laten delen in de zegeningen van christendom en democratie, zocht het Westen in die dagen al dan niet overzee nieuw territoriaal bezit. Daar waren betrouwbare kaarten onontbeerlijk bij. Om de brave Bos een bijproduct van het 19de eeuwse imperialisme te noemen gaat waarschijnlijk wat ver. Maar was hij niet zeker een significante deelnemer aan het proces waarin Europa op de wereld een alomvattende greep probeerde te krijgen?

Het ging toen allang niet meer alleen om de grond waarop we leven. Eerder in de eeuw roerde zich in het Engelse Oxfordshire een eenvoudige jongen genaamd William Smith, zoon van de dorpssmid, die een uitzonderlijk observatietalent paarde aan het even zeldzame vermogen om z’n waarnemingen op een creatieve manier met elkaar in verband te brengen. Z’n eerste observaties noteerde hij ondergronds in Somersetse mijnschachten, waar hij vaste patronen ontdekte in de schikking van de diverse aardlagen: overal steeds eerst de rode, geaderde mergel, en dan van boven naar beneden telkens siltsteen, kleisteen, mariene sedimenten en steenkool, tot de ‘absolute’ bodem was bereikt. Van een slimme amateuristische onderzoeker ontwikkelde hij zich in hoog tempo tot een briljante amateur-geoloog, die de ‘stratigrafie’ van de aardlagen tenslotte op een vernuftige manier zichtbaar wist te maken op een geologische oerkaart. Daarmee was ook de onderwereld ingelijfd.

In De kaart die de wereld veranderde (Atlas, 349 blz, € 24,90) schetst Simon Winchester het verhaal van de begaafde liefhebber, die al bij zijn leven geëerd had kunnen worden als grondlegger van de moderne aardkunde, ware het niet dat hij op z’n vijftigste tijdelijk aan lager wal raakte, en vervolgens welbewust en gretig door standsbewuste Britse collega’s letterlijk over het hoofd werd gezien. De half-tragische geschiedenis wordt in het boek jammer genoeg haast bedolven onder een omslachtig soort deskundigenjargon, en dat vergalt het leesplezier nogal.

Maar het gaat hier om het fenomeen van de onverzadigbare onderzoekersnieuwsgierigheid. Op aarde en onder de aarde hebben de ontdekkingsreizigers (Smith in de mijnschachten van Somerset verschilt inderdaad amper van Livingstone rond het Afrikaanse Tanganjika-meer) halverwege de 20ste eeuw voorlopig wel zo’n beetje alles in kaart gebracht. Het wachten is het dan alleen nog op de bevindingen van boven aarde. Dank zij de eerste satellietfoto’s, die door Google Earth al zijn verhuiskamerd tot op ieders pc, weten we nu ook hoe er vanuit de hemel op ons wordt neergekeken.

Waarmee we terug zijn bij de 53ste Bos. Aan wat ik me nog van de goede oude topografie herinner, wordt in de nieuwe druk nog maar eenderde van de totale ruimte besteed. In dat opzicht hebben we het in de laatste paar decennia snel zien veranderen. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw overheerste nog de aardrijkskunde waar een imperialistisch luchtje aan zat. Daarna trad de ‘wereldoriëntatie’ aan, die vooral leek ingegeven door het schuldgevoel van het rijke ‘Noorden, dat aandacht vroeg voor honger, armoede, en politiek onrecht in de (derde) wereld.

In 2007 zijn ook bij Bos de allerlaatste ideologische veren afgeschud. Er wordt op een zakelijke manier nog wel gewezen op landen waar weinig te eten is, of waar het ontbreekt aan behoorlijk onderwijs, gelijke rechten voor vrouwen en homoseksuelen, veiligheid, pais en vree en overige luxes – maar het medeleven is er af. Van tientallen wereldkaartjes kun je aflezen waar je de meeste analfabeten, de minste persvrijheid en de meeste Big Macs kunt vinden, met welke landen het volgens een internationale failed states index waarschijnlijk slecht zal aflopen, en waar je beter kunt wegblijven vanwege dreiging van terrorisme (Groenland schijnt ’t veiligst te zijn), maar nergens zie je nog in één oogopslag hoe je over water van Roodeschool naar Goes komt.

Er zijn overigens weinig wetenswaardigheden meer die De grote Bosatlas 53ste editie, Wolters-Noordhoff, 288 blz, €64,95) niet heeft ingelijfd.