Bang voor de Bijbel

De klassieke oudheid viert triomfen in de bioscoop. Maar bijbelfilms als ‘The Ten Commandments’ zijn geheel verdwenen. Het heeft alles te maken met de angst van filmmakers om hun handen aan de Bijbel te branden.

The Ten Commandments regie Cecil B. Demille, 1956 illustratie Collectie Filmmuseum met Charlton Heston Collectie Filmmuseum

Zwaard en sandalen zijn weer helemaal terug in de bioscoop van de 21ste eeuw. Spartanen in een soort leren zwembroek en met digitaal bijgewerkte torso houden stand tegen hordes monsterlijke Perzen in 300. We hebben in de afgelopen jaren Brad Pitt voorbij zien komen als een Achilles uit de sportschool (Troy), Colin Farell als een homoseksuele Alexander de Grote (Alexander), Russell Crowe als vlezige Romeinse generaal (Gladiator). En later deze maand zullen we zien of Colin Firth en Ben Kingsley de tuniek eer aandoen in The Last Legion.

Je kunt dus niet zeggen dat Hollywood na de grote spektakelstukken uit de jaren vijftig en zestig (Ben-Hur, Spartacus, Cleopatra en talloze andere) de antieke oudheid heeft afgezworen. Integendeel, het lijkt erop dat het digitale tijdperk de klassieken een voor een nieuw leven inblaast. Grieken, Romeinen, Perzen zijn dus al geweest, maar waarom niet het Egypte in de roerige tijden van Achnaton uit de computer getoverd? En het kan toch alleen maar een kwestie van tijd zijn voor de bloeddorstige Mel Gibson zich stort op de Assyriërs. Dit volk van veroveraars had de gewoonte om overwonnen tegenstanders door hun hoofdstad Nineveh te laten paraderen met een touw om hun hals waaraan het hoofd van een landgenoot hing. En als je daarbij bedenkt dat ze ook de Israëlieten hebben verslagen en hun taal voor ons net zo onverstaanbaar is als het Aramees uit The Passion of the Christ of de Maya-taal uit Apocalypto, dan móet Gibson er voor te porren zijn.

De oudheid is één groot avonturenboek waarbij The Lord of the Rings verbleekt. En alles is rechtenvrij. Des te wonderlijker dat één bron voor Hollywood volkomen lijkt te zijn opgedroogd: het Oude Testament van de Bijbel.

Tot in de jaren zestig waren films naar verhalen uit het Oude Testament gemeengoed. Niet dat het over het algemeen goede films waren. Het waren avonturenfilms. Zoals je Helen of Troy en Quo Vadis had, zo had je ook Sodom and Gomorra of David and Goliath, Solomon and Sheba en Salomé. Gespierde mannen in te korte tunieken en liefst Gina Lollobrigida of Rita Hayworth als de fatale vrouw. We hebben net wel Diane Kruger als de moderne Helena gezien, maar waar blijft de nieuwe Batsheba?

Een compleet genre is verdwenen. Waarom? Aan het economisch potentieel kan het niet liggen: Troy was wereldwijd een van de succesvolste films van 2004 en 300 verdiende in het eerste weekend in de Verenigde Staten 71 miljoen dollar. Zelfs in het bioscoopschuwe Nederland kwamen in de eerste week al rond de 120.000 mensen kijken. Waarom dan geen Samson in zijn eentje met een ezelskaakbeen tegen duizend Filistijnen? Waarom geen Gideon met zijn bende van driehonderd man tegen de Midjanieten, talrijk „als een zwerm sprinkhanen’” (Rechters 6:5)? Waarom zelfs geen David en Batsheba meer – terwijl, zeg nou zelf: wat is Hollywoodser dan dit verhaal van verraad, liefde, lust en moord? In 1951 is die film dan ook al gemaakt. Met Gregory Peck en Susan Hayward, onder de onvergetelijke slogan: ‘For this woman… he broke God’s own commandment.’ Je ziet de poster meteen voor je.

Als je de ontwikkeling in één zin moet samenvatten: de onschuld is eraf. Het onbekommerde gebruik van de bijbel als avonturenboek – The Greatest Story Ever Told – is vervangen door een schroomvallige benadering.

Sinds de jaren negentig zijn alleen nog tekenfilms gemaakt naar motieven uit het Oude Testament. Disney heeft het verhaal van de Exodus verfilmd: The Prince of Egypt, en het verhaal van Jozef: The Amazing Technicolor Dreamcoat. Maar al bij The Prince of Egypt uit 1998 valt iets te merken van die schroom. Voor de film begint, verschijnt een tekst in beeld. Dit verhaal, staat er, is de hoeksteen van het geloof van miljoenen mensen. Hoewel wij ons enige vrijheid hebben veroorloofd, zijn wij trouw gebleven aan de geest van het verhaal.

Een disclaimer.

Dacht u dat Cecil B. DeMille zich geen vrijheden had veroorloofd toen hij Charlton Heston voor Mozes liet spelen en Yul Brynner voor farao in The Ten Commandments (1956)? Maar de vraag of hij te vrijpostig was, laat staan of hij zich daarvoor bij zijn publiek moest verontschuldigen, zou niet in DeMilles hoofd zijn opgekomen. Hij maakte eenvoudigweg een grootse film naar een bekend verhaal, zoals hij dat gewend was. En The Ten Commandments wás groots – zo groots dat de schrijver James Thurber bij het aanschouwen ervan zou hebben gezegd: nou zie je eens wat God ervan had kunnen maken, als hij er de centen voor had gehad.

In 1956, het jaar van The Ten Commandments, was de Bijbel gemeengoed, dat wil zeggen dat ieder er het zijne van kon nemen. King Vidor maakte in 1959 Solomon and Sheba (met Yul Brynner en Gina Lollobrigida), waarbij hij zijn fantasie liet aansporen door niet meer dan dertien bijbelverzen in het eerste boek Koningen. Geen producent was toen nog bang voor andere kritiek dan filmkritiek, want niemand die zijn bedoelingen in twijfel trok. Publiek en filmers waren immers allemaal christenen – of joden.

Die onbevangenheid bestaat niet meer. De onverschilligheid, voortgekomen uit de secularisatie vanaf de jaren zestig, heeft in het afgelopen decennium plaats gemaakt voor overgevoeligheid en een angst om te kwetsen. Die heeft zowel iets te maken met de vooral in de Verenigde Staten zeer dominante cultuur van politieke correctheid als met de hernieuwde betekenis van het geloof – van álle geloven.

En laten we wel wezen: er wordt nogal wat gekwetst in het Oude Testament. Welke filmer – en zeker: welke Amerikaanse filmer – durft nu nog deze heldendaad te laten zien: David die niet de door koning Saul geëiste honderd, maar meteen tweehonderd Filistijnse voorhuiden als trofee meeneemt van het slagveld? Dan kun je wachten op de fatwa’s.

De hele geschiedenis van de Israëlieten die zich vestigen in het beloofde land is tegenwoordig politiek buskruit geworden. Daar kun je je als producent niet meer uit redden met een titelkaart voorafgaand aan de film: ‘De door Salomo bereikte grenzen van het koninkrijk Israël zijn voor honderdduizenden mensen een hoeksteen van hun geloof.’

Zo is het Oude Testament dus uit de filmmode geraakt. Doodzonde, want wat zou de ondergang van Sodom en Gomorra spectaculair zijn in het digitale tijdperk. Nu moeten we het doen met de versie die Robert Aldrich er in 1962 van maakte, een en al piepschuim en schuddende camera’s. En wat zou de joodse krachtpatser Samson niet teweeg kunnen brengen onder regie van Peter Jackson? Nu kunnen we ons alleen maar verbijten bij de uiterst moeizame gevechten met leeuw, Filistijnen en verraderlijke vrouw die Victor Mature in 1949 voerde in DeMilles Samson and Delilah. Hoewel Nederlanders misschien liever naar de Italiaanse versie van 1965 kijken, omdat Samson daar gespeeld wordt door de toen kersverse wereldkampioen judo Anton Geesink. Dat geeft toch een extra dimensie aan de zelfmoordactie in de Filistijnse tempel waarmee Samson „bij zijn dood meer slachtoffers dan tijdens zijn hele leven” maakte (Rechters 16:30).

Als filmproducenten het Oude Testament inderdaad uit schroom buiten de bioscoop houden, waarom geldt dat dan niet voor het Nieuwe Testament? Aan films die zijn gebaseerd op de christelijke bijbelboeken is nooit gebrek geweest, ook de laatste tijd niet. We hebben in 2003 Het evangelie volgens Johannes, in 2004 The Passion of the Christ en in 2006 The Nativity Story. Als dit paasweekeinde films op tv te zien zijn, dan zijn dat uitsluitend films over het Nieuwe Testament: Kings of Kings (Nicholas Ray, 1961 – op BBC2), Jesus Christ Superstar (Norman Jewison, 1973 – NET5) en The Passion of the Christ (Mel Gibson – RTL5).

Daar passen twee kanttekeningen bij. In de eerste plaats: ook hier zien we schroom. In de persinformatie die bij de Nativity Story (2006) werd verspreid, stond dat de film „met veel respect voor tradities” is gemaakt, nadat „zoveel mogelijk historici en theologen” het scenario hadden gelezen. Angst regeert.

In de Verenigde Staten knippen dvd-distibuteurs alle scherpe kantjes van speelfilms af om ze geschikt te maken voor gezinnen met een evangelische achtergrond. Aan de andere kant zien we steeds meer fundamentalisten opduiken die van ongeloof het nieuwe geloof maken, zoals Richard Dawkins (God als misvatting) en Sam Harris, wiens Van God los volgende maand in Nederland verschijnt. En beide kampen vinden voor hun beweringen even veel steun in de Bijbel.

Zelfs bij een provocerende film als The Passion of the Christ van de inmiddels om zijn anti-joodse uitspraken beruchte regisseur Mel Gibson is de schaar gehanteerd. Op de dvd horen wij Pilatus in het Aramees zeggen: „Ik ben onschuldig aan de dood van deze man. Zie het zelf maar op te lossen.” En die passage is ook in de ondertitels vertaald. Maar de opmerking die de joodse hogepriester daarop in het Aramees maakt, is niet ondertiteld. Terwijl die alleen maar kan luiden: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!” Deze bijbelpassage (Mattheüs 27:25) wordt wel beschouwd als de bron van het christelijk antisemitisme en zeker na de Tweede Wereldoorlog wordt citeren ervan met argusogen bekeken door organisaties als het CIDI (Centrum Informatie en Documentatie Israël). De schaar is in de ondertitels gezet na heftige discussies rond de bioscooprelease van The Passion of the Christ. Joodse organisaties waren van meet af aan argwanend, orthodoxe christenen hebben de film direct omarmd. Behalve in bioscopen draaide hij ook in speciale voorstellingen in kerken.

Hier komt de tweede kanttekening in beeld. Het lijkt erop dat het Nieuwe Testament niet populairder is bij filmers doordat het een ‘veiliger’ grondstof is dan het Oude, maar juist door het omgekeerde, doordat de boodschap krachtiger is dan het drama. Het onschuldige kind dat de wereld komt redden. De man die voor onze zonden halfdood geslagen wordt en aan het kruis sterft. Dit zijn geen avonturenfilm, dit zijn morele appèls aan de kijker, gedaan vanuit een religieuze overtuiging. De kracht van het verhaal wordt niet gebruikt om te amuseren, maar om richting te geven aan een publiek dat na een halve eeuw ontzuiling onzeker is geworden.

Mel Gibson wíl dat wij denken dat de joden schuldig zijn aan de dood van Jezus. Het Evangelie volgens Johannes wíl dat wij weten dat God zijn eniggeboren zoon offerde om de mensheid te verlossen. Het zijn doctrinaire films en van onbevangenheid is dus ook hier geen sprake.

Wat kunnen we hieruit concluderen? Dat het woord van God in het Oude en het Nieuwe Testament te explosief materiaal is geworden om onbevangen te verfilmen. En dat degenen die het Nieuwe Testament toch gebruiken, dat doen in het volle besef dat ze met buskruit in de weer gaan. De Bijbel is, om maar eens een moderne reclameslogan te gebruiken, munitie voor de wekelijkse ideeënstrijd geworden.