Alleen schade telt

A.L.J. Janssen & A.J. Nieuwenhuis: Uitingsdelicten.Kluwer, 264 blz. €29,-

L.R. van Harinxma thoe Slooten: Toegang tot het recht in perszaken. Boom Juridische Uitg., 306 blz. €49,-

J. Mentink: Veel raad, weinig baat. Ad Donker, 319 blz. €35,-

‘De vrijheid van meningsuiting heeft in de westerse wereld niet altijd bestaan’, bracht Aernout Nieuwenhuis vorig jaar in herinnering in het juridisch vakblad Mediaforum. ‘Europa zal de komende decennia mede door grote migratiebewegingen een hernieuwde confrontatie tussen culturen en levensovertuigingen doormaken’, waarschuwt het Amsterdamse Instituut voor informatierecht (IVIR). Met reden noemt het de juridische vrijheid van het openbare debat in de nieuwe culturele – en elektronische – omgeving een ‘speerpunt’.

Nieuwenhuis (onderzoeker bij de Universiteit van Amsterdam) en A.J.J. Janssen (een officier van justitie die promoveerde op strafbare belediging) geven een nuttig overzicht van voetangels en klemmen in hun boek over uitingsdelicten. Deze beslaan een ruim scala, van godslastering en pornografie tot smaad en belediging van een bevolkingsgroep. Wat het eerste betreft kwam de Radboud Universiteit onlangs met de opmerkelijke aanbeveling het uitingsdelict maar af te schaffen. Opmerkelijk, omdat de vorige minister van justitie Donner juist wél wat zag in een revival van de strafbepaling die zijn grootvader vóór de Tweede Wereldoorlog, ook als minister, had ingevoerd.

Godslastering is dood hout in het wetboek van strafrecht. Belediging van een bevolkingsgroep allerminst. Die wordt kracht bijgezet door een VN-verdrag tegen discriminatie. Een streven waartegen weinig bezwaren kunnen bestaan. Behalve de vraag of woorden niet te gemakkelijk gelijk zijn gesteld met daden, ten koste van de vrijheid van meningsuiting. Het officiële antwoord is dat dit afhangt van de ‘context’ waarin kwalijke uitingen worden gedaan.

Hoogleraar en advocaat Egbert Dommering van het IVIR noemt twee lastige vragen die deze ‘inkleurredenering’ oproept. ‘Politieke uitingen in Nederland zijn in Nederland minder vrij dan godsdienstige’. Dommering contrasteert de vrijspraak van een imam die zich uitliet over homoseksuelen met de veroordeling van de Centrumdemocraten van Janmaat. Een tweede knelpunt is ‘dat het meestal hangt op een fors spraakgebruik, als je tenminste geen schrijver bent, want dan is het literair’.

Dit is een oude klacht, afgaande op het proefschrift van de staatsrechtsgeleerde Jit Peters vijfentwintig jaar geleden. Hij signaleerde dat ‘de rechter niet schroomt zover te gaan het juridisch taalgebruik als voorbeeld te stellen, met miskenning van de autonome behoefte van het individu om zijn gedachten en gevoelens te formuleren op zijn eigen wijze en met zijn eigen inhoud’.

In elk geval is er geen behoefte aan nieuwe strafbepalingen zoals een ‘apologieverbod’ op het goedpraten of verheerlijken van ernstige (terroristische) misdrijven. Nederland heeft internationaal een rare schuiver gemaakt van afwijzing naar acceptatie. Janssen en Nieuwenhuis moeten er niets van hebben. Een nuttige waarschuwing tegen de gedachte dat wij het strafrecht nodig hebben om de vrede tussen verschillende bevolkingsgroepen te bewaren.

De speerpunt van de juridische vrijheid van het openbaar debat heeft nog een tweede kant: klachten over mediapublicaties. Deze zijn het onderwerp van recente dissertaties van Harinxma thoe Slooten over de toegang tot de rechter en van Mentink over de Raad voor de Journalistiek (zie over de laatste NRC Handelsblad 11.11.2006). De raad is een vorm van zelfregulering die principieel los staat van de overheid. Mentink ziet dat als een probleem en vindt dat de raad meer op de lijn van de rechtspraak moet gaan zitten. Maar wat is dan toch de betekenis van zo’n raad? Harinxma bepleit een ‘risico-aansprakelijkheid’ van media voor onjuiste publicaties – dus los van een concreet verwijt. Alleen de schade telt. Zo’n drastische omkering van de normale aansprakelijkheidsregels kan niet anders dan een verkillende werking hebben op de informatievrijheid die veel verder gaat dan het probleem van de klachten.

Moet daar dan niets aan worden gedaan? Zeker wel. De media zouden eindelijk eens ernst moeten maken met een eigen ombudsman.