Veel te veel kapsters

Beroepsopleiding en arbeidsmarkt sluiten niet op elkaar aan. Er is een grote scheefgroei. Hardnekkige tekorten en overschotten bestaan naast elkaar.

Melissa van Duffelen (18) wilde altijd al kapster worden: het is het mooiste vak dat er is, vindt zij. „Ik was op mijn zesde al aan het invlechten”, zegt ze tijdens het proefexamen ‘permanenten’ op haar school, het Albeda College in Delft. Melissa heeft nog wel getwijfeld, of ze misschien politieagente wilde worden. „Maar ik hoorde dat je daarvoor karate moet doen. En dat leek me niks, ik ben nogal klein.” Dus dít is uiteindelijk wat ze wil. „Het is prachtig om mensen mooi te maken, zodat ze blij de deur weer uitgaan.”

Zoals Melissa, zo zijn er heel veel meisjes op het mbo en vmbo. Te veel.

De afgelopen vijf jaar steeg het aantal aanmeldingen op de kappersopleidingen met 40 procent. Momenteel zitten er 11.000 scholieren op een van de opleidingen, meestens meisjes. „De helft van de scholieren zal straks geen baan kunnen vinden”, zegt Chris Boerland, voorzitter van brancheorganisatie Anko. Hij vreest bovendien dat als een overschot aan kappers ontstaat, kappers elkaar gaan beconcurreren op prijs. Met een mbo II-diploma kan je je eigen kapperszaak beginnen. Alleen al het afgelopen jaar kwamen er 1.500 nieuwe kapsalons bij, een stijging van 10 procent.

Het overschot speelt niet alleen op de kappersscholen. Ook voor die tot sportinstructeur of de mbo-opleidingen economie geldt: te veel scholieren, te weinig banen. In scherp contrast daarmee staan de techniek, de bouw en de verpleging, waar de werkgevers staan te springen om werknemers. De bouw heeft de komende jaren 30.000 werknemers nodig. Maar deze sectoren zijn onder jongeren juist weer impopulair.

Bij de kappersopleidingen is de scheefgroei volgens Boerland ontstaan door alle make-overprogramma’s op tv en reportages in bladen, waarin mensen een compleet nieuw uiterlijk krijgen en dolgelukkig zijn met het resultaat.

Om het tij te keren is de Taskforce Jeugdwerkloosheid vorige week in samenwerking met het ministerie van Onderwijs een campagne begonnen. Doel is scholieren te helpen „realistischer” voor een opleiding te kiezen. Er komen spotjes op de radio, op internet, advertenties in bladen, een postercampagne op scholen, en een bustour langs vmbo-scholen over beroeps- en studiekeuze.

Het was nodig, zegt Hans de Boer, voorzitter van de Taskforce. „Bijna 60 procent van de vmbo-scholieren weet momenteel niet wat ze willen worden. Nog eens 10 procent weet op het vmbo al dat ze naar een andere richting willen overstappen. Verder blijkt dat slechts 56 procent van de mbo-leerlingen weer voor dezelfde opleiding zou kiezen.” Waarom dat erg is? Omdat jongeren die de verkeerde keuze maken, sneller stoppen met hun opleiding, zegt De Boer. „En er zijn nu al duizenden jongeren die jaarlijks de schoolbanken zonder diploma verlaten.”

Wat kan je doen om jongeren beter te laten kiezen?

Ten eerste moeten werkgevers beter hun best doen, zegt Hans de Boer. „Veel personeelsbazen zijn te ouderwets, ze hebben geen idee wat er leeft bij jongeren.” Is het zo raar dat ze niet in de zorg of de techniek willen werken, vraagt Chris Boerland van de kappersbranche zich af. Ze denken dat het daar laagbetaald, zwaar en vies werk is, en dat ze er pijn in hun rug van krijgen. Veel ouders hebben bovendien een verouderd beeld van deze sectoren en zien hun kinderen liever een witteboordenbaan kiezen.

Boerland heeft daarom een tip, voor de bouw en de techniek: „Waarom het kappersvak zo populair is, is omdat wij het eindresultaat laten zien, namelijk een tevreden klant met een nieuw uiterlijk. Ik noem dat het ‘oh-effect’. Dat zouden de bouw en de techniek ook moeten doen. Dus niet steeds de troffel van de metselaar laten zien, of een jongen met een lasmasker. Maar een prachtig metselwerk, of iets dat mooi gelast is.”

Het is niet zo eenvoudig als het lijkt, zegt Wouter Turpijn. Hij is directeur van Fundeon, het kenniscentrum dat moet zorgen voor voldoende arbeidskrachten in de bouw. De sector investeert al 150 miljoen euro per jaar, zegt hij. Zo zijn er eigen opleidingscentra, een samenwerkingsverband van ‘leerbedrijven’, worden er ‘meidendagen’ georganiseerd, worden (basis)scholen bezocht, en is er 1 juni een open dag waarop in het hele land bouwplaatsen vrij toegankelijk zijn. „Maar het negatieve imago van de sector is hardnekkig.”

Hans de Boer heeft een eenvoudige tip: geef impopulaire opleidingen een flitsender naam. „‘Sound and vision’ bijvoorbeeld. Toen de opleiding nog ‘elektrotechniek’ heette, kwam er geen hond, maar thans loopt het er storm.”

Maar de belangrijkste taak voor de opleidingen is dat ze zo snel mogelijk aan jongeren moeten laten zien wat beroepen inhouden, zegt Elly van Kooten, directeur van de Taskforce Jeugdwerkloosheid. Het liefst al heel vroeg op het vmbo. Des te eerder zien jongeren de positieve kanten van een baan, maar ook de negatieve.

Coördinator van de kappersopleiding op het Albeda College in Delft, Attie Jongkind, zegt dat de opleiding strenge intakegesprekken voert met aankomende scholieren om te kijken of de kandidaat echt gemotiveerd is, zo zegt zij. De opleiding weigert geen scholieren, maar vaak komen ze er zelf al achter dat het vak niets voor hen is, zegt Jongkind. „Bovendien moeten ze allemaal al werk hebben voordat ze beginnen met de opleiding.”

De leerlingen van de kappersopleiding in Delft hadden allemaal heel snel een stageplaats in een kapsalon en verdienen al een salaris terwijl ze nog op school zitten, zeggen ze. Dus hoezo lastig beroepsperspectief. En de zorg, dat lijkt hun helemaal niks. „Dan moet je eerst weer een andere opleiding doen”, zegt Samantha Kwekkeboom (17). „In de zorg ben je niet met uiterlijk bezig, het is geen creatief beroep”, zegt Nikky van Heest (19). „Als je goed je best doet, is er altijd werk”, weet Laura (18).