Ter overname

Het was altijd druk in De Kantine van de Weemoed, vanwege de snorrende kachel en vanwege de drukte die drukte aantrekt.

De Braziliaanse vader drong zich, zonder zich op te dringen, op aan het vaste aannemersclubje en begon in hun kring aan zijn luidruchtige verhalen.

Zijn beide zonen bedienden en de gasten waren blij als ze in het vak terechtkwamen dat werd bestreken door de dikste van het tweetal, een goedlachse jongen die een gevoel van welbehagen opriep en de eetlust vergrootte.

Zijn broer was stiller en vooral slanker, maar bij nadere kennismaking niet minder vriendelijk.

Een beetje vader mocht trots zijn op zulke zonen. Toch leek hun vader vooral aan een restaurant te zijn begonnen om joviaal te kunnen doen tegen dikdoeners en sterke verhalen te slijten.

Voor de dagelijkse leiding was Amadeo ingehuurd, een Portugees uit de Middelgrote Gemeente. Amadeo zorgde, laverend tussen de keuken en het eettheater, dat de jongens de juiste gerechten naar de juiste tafel brachten. Amadeo had de sleutel op zak van het kastje met de sigaren. Amadeo onthield de namen van alle gasten. Bij Amadeo rekende je af.

Luxeleven voor de jongens. Vader had toch wel goed voor ze gezorgd.

Je zou hun moeder bijna vergeten. De moeder van de beide jongens zat in een verre hoek van het restaurant en zweeg. Het was een oud en gekrompen moedertje. ’t Zou daar met een centenbakje hebben kunnen zitten en dan zou je, elke keer als je het moedertje passeerde, een nikkelen munt in het bakje hebben gegooid. Niet zo vreemd dat ze vergeten leek. Moedertjes als deze zie je veel op stoepranden en kerktrappen.

Af en toe krulde er een glimlach om haar lippen, alsof ze de grappen van haar man aan de andere kant van het restaurant begreep. Alleen die glimlach verried dat ze geen verdwaalde weduwe was. Verder was ze afwezig.

Veel meegemaakt, waarschijnlijk. De knoet van het bestaan, en dat soort dingen. Beland in een haven, gelukzalig en moe.

Paulo, onze eigen Paulo uit het dorp, zat een tijdlang aan het vaste aannemerstafeltje. De aannemers barstten om de haverklap uit in een schaterlach. Het aannemersleven is rijk aan anekdotes. Als de Braziliaan van het restaurant iets bijdroeg lachten ze nog luider.

Paulo wierp soms een blik op mij, een blik die me duidelijk moest maken hoe gevat de restauranthouder wel niet was. De zweem van paniek in zijn ogen ontging me niet. Hij was ook nog maar een beginnend aannemertje.

De vader genoot. Het moedertje dommelde weg. De zonen straalden wollige onschuld uit. De kachel snorde.

Het leek een modelfamilie.

Amadeo was intussen op alle plaatsen tegelijk. Het restaurant ging jaren van voorspoed tegemoet. Dampende schotels, sociaal trefpunt, wat niet al.

Op een dag was het restaurant van de Brazilianen gesloten. ‘Ter overname’ las je op de deur, op de slordig uitgeknipte onderkant van een kartonnen schoenendoos. Na dagen werd het verhaal duidelijk. De politie had ingegrepen. Betrapt op grootscheepse cocaïnesmokkel. Jarenlang waren vanuit De Kantine van de Weemoed de transporten geregeld. De beide zonen, die van niets wisten, waren met de noorderzon vertrokken. Het hoofd van de bende was het oude moedertje.