Plotseling gaat Irak-debat over Iran

Alleen met steun van de VN-Veiligheidsraad mag er ooit, eventueel, een aanval op Iran komen. Vindt de PvdA. De regeringspartij kwam daardoor in botsing met minister Verhagen.

Het was gisteren de tiende keer dat de Tweede Kamer sprak over de Nederlandse politieke steun aan de inval in Irak in 2003, en het debat leverde geen nieuwe gezichtspunten op. Ook van de opzet van D66, dat het debat had aangevraagd om de regering het verkeerd informeren van de Kamer in de schoenen te schuiven, kwam weinig terecht.

Of de regering de Kamer in 2003 nu wel of niet adequaat heeft geïnformeerd over Amerikaanse verlanglijstjes ten aanzien van militaire steun, maakt niet zoveel uit: Nederland heeft geen militaire steun verleend. Bovendien is er volgens geldende politieke gebruiken geen aanleiding te informeren over al hetgeen een kabinet níét gaat doen.

Maar saai werd het allerminst, doordat het plotseling over Iran ging. De PvdA, eerder met hoon overladen wegens de belofte nooit meer voor een parlementair onderzoek naar ‘Irak’ te stemmen, trok plotseling het initiatief naar zich toe – onverwacht en tot groot ongenoegen van minister Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA).

Het is nodig lessen te trekken uit het gebeurde in 2003, betoogde PvdA-woordvoerder Van Dam. En daarom steunde de PvdA – net als de SP, D66 en de Partij voor de Dieren – een motie van GroenLinks-leider Halsema die „de regering verzoekt uit te sluiten dat Nederland politiek of anderszins steun verleent aan een eventuele aanval op Iran zonder adequaat volkenrechtelijk mandaat”. Van Dam verstaat onder ‘adequaat volkenrechtelijk mandaat’: een uitdrukkelijke autorisatie van militair optreden middels een resolutie van de VN-Veiligheidsraad, behalve bij een humanitaire noodsituatie, zoals het voorkomen van genocide, of een acute bedreiging. Die laatste twee mogelijkheden, zei Van Dam, zijn ten aanzien van Iran niet aan de orde want die Iraanse kernbom komt er in geen jaren.

Ogenschijnlijk leek deze opstelling een logisch uitvloeisel van het regeerakkoord; de PvdA heeft het opgeven van steun aan een Irak-onderzoek immers gerechtvaardigd met een passage daarin over ‘adequaat volkenrechtelijk mandaat’, die een gang van zaken als in 2003, waarbij Nederland politieke steun verleende aan een in PvdA-ogen volkenrechtelijk bedenkelijke inval, in de toekomst zou verhinderen.

Maar een pijnlijk getroffen CDA-minister Verhagen bleek de passage in het regeerakkoord toch heel anders te lezen. Die heeft alleen betrekking op de inzet van militairen, zei hij, en niet op politieke steun. In de motie van gisteren wordt bovendien nadrukkelijk gerefereerd aan een resolutie van de Veiligheidsraad die militair optreden in verband met Iraans nucleaire activiteiten nu uitsluit. Verhagen zei geen behoefte te hebben aan zo’n beperking: „Er kan iets gebeuren in Iran, of rond Iran, dat optreden noodzakelijk maakt.” En in zo’n geval kan de Nederlandse regering weinig met een motie die militair optreden eigenlijk verbiedt.

Verhagen ontraadde de motie – de eerste keer dat een coalitiefractie openlijk in aanvaring komt met Balkenende IV. En dat leek gisteravond meer dan een incident, omdat er een fundamenteel verschil van inzicht aan de dag trad in de interpretatie van het regeerakkoord. Dat de PvdA onder ‘adequaat volkenrechtelijk mandaat’ in essentie een resolutie van de Veiligheidsraad verstaat – zo’n resolutie in 2003 – was geen nieuws. De twee uitzonderingen zijn formeel: ‘dreigende noodsituatie’, zoals destijds de situatie in Kosovo, en een ‘bedreiging’ om zelfverdediging mogelijk te maken.

Verhagen deed het echter voorkomen alsof de discussie over wat een ‘adequaat volkenrechtelijk mandaat’ is nog alle kanten op kan. Hij deed de opmerkingen van Van Dam af als een „eerste bijdrage” over een gedachtenwisseling hierover, die de regering juist deze week aan de Eerste Kamer had beloofd. Maar Van Dam liet er geen enkele twijfel over bestaan dat hij het standpunt van de PvdA-fractie in de Kamer had vertolkt.

D66, GroenLinks, SP en Partij voor de Dieren kondigden aan de komende jaren door te zullen gaan met het aanvragen van debatten over de politieke steun aan ‘Irak’, zolang – in de woorden van de D66’er Pechtold – „de deksel van de doofpot” over het hoe en waarom van die steun niet is gelicht. GroenLinks-leider Halsema trok een vergelijking met de zaak-Srebrenica, waarbij een Kamermeerderheid zeven jaar lang een parlementaire enquête wist tegen te houden, die er ten slotte toch kwam.

Premier Balkenende, Verhagen en minister Van Middelkoop (Defensie, CU) weken geen millimeter van de bekende regeringsstandpunten: alles is de Kamer adequaat gemeld, met de motivatie van de politieke steun was niets mis omdat deze niet gebaseerd was op de onjuist gebleken aanname van de invallers dat er in Irak massavernietigingswapens waren, en Nederlandse militairen hebben op geen enkele manier slinks meegedaan aan de inval.