‘Onze’ Cruijff

Samen met Cruijff op de foto, we hadden het bereikt, nu mochten we doodgaan.

Dat was gistermiddag zo ongeveer het algemeen gevoelen bij de presentatie van liefst drie boeken over Johan Cruijff in het Olympisch Stadion in Amsterdam. Omdat Cruijff deze maand zestig wordt, hebben de uitgevers zich en masse jubelend op hem gestort. Cruijff vindt het best zolang een deel van de opbrengst naar zijn Cruijff Foundation gaat, die sportprojecten ‘voor kinderen met en zonder handicap’ steunt.

Ook die boeken mochten worden volgeschreven door mensen met en zonder handicap, als ze maar geen valse verwijzingen bevatten naar Danny, Cruijffs vrouw. Het ‘Cruijff Management’ zag daar op toe. Enkele ongerechtigheden in dit opzicht zijn inderdaad verwijderd, hoorde ik, maar één citaat moet aan de aandacht zijn ontsnapt. Het is een citaat dat Cruijff nog lang zal achtervolgen.

In het boek Mijn Johan Cruijff haalt een van de auteurs, Jan Donkers, herinneringen op aan een interview met Cruijff in 1992 in Barcelona. Een gevoelige kwestie – achteraf een erkend minpunt van zijn carrière – kwam aan de orde: moest hij niet als bondscoach van het Nederlands elftal naar het WK van 1994 in de Verenigde Staten?

Het bandje van de interviewers, Donkers en Johan Derksen van Voetbal International, draaide niet meer, toen Danny met snijdende stem dwars door het gesprek riep: „En waarom moet je dan zo nodig naar Amerika, Cruijff?” Donkers schrijft dan: „De aangesprokene praatte door, alsof hij niets gehoord had. Maar vooral door de manier waarop zijn naam, Cruijff, was uitgesproken, wist ik al op dat moment dat die aanstelling niet zou doorgaan (…).”

Niets blijft altijd geheim.

Maar verder wordt Danny in die drie boeken dus keurig met rust gelaten. Ik heb ze erop nagekeken: niet alleen Mijn Johan Cruijff, maar ook Wie is Johan Cruijff (een interessante biografie door Mik Schots en Jan Luitzen) en Toeval is logisch van Willem Baartse. Kritiek op Cruijff zélf mocht kennelijk wel. Ik heb in mijn bijdrage aan Mijn Johan Cruijff, evenals enkele andere auteurs, juist ‘de donkere kant van Cruijff’ belicht, maar het Cruijff Management heeft zich daar niet mee bemoeid.

Cruijff zelf was bij de presentatie op zijn beminnelijkst, iedereen kreeg een hand en alle auteurs werden uitgenodigd voor een soort elftalfoto. Het maakte ons allen week tot in de knieën, opeens zag je overal het jongetje in de oudere voetbalman bovenkomen. Ook het meisje trouwens – in wat misschien niet eens de voetbalvrouw genoemd mag worden.

Zo zag ik pal naast Cruijff Hanneke Groenteman stralen. De eer was haar gegund, want ze heeft het leukste stuk van al die boeken geschreven. Háár Johan Cruijff was pas achttien jaar, een verlegen jongen nog.

Als jeugdig redactrice van Het Parool maakte zij mee hoe Cruijff poseerde in de spullen van ‘het Spijkerbroekenhuis’, een winkel in de Warmoesstraat. Na de sessie vroeg hij of hij op haar krant mocht rondkijken. Dat mocht. En zo kon Hanneke 42 jaar later schrijven: „Toen was het tijd voor een broodje en mocht Johan Cruijff aan een tafel met echte journalisten lunchen met een broodje zalmsalade en een glas melk.”