Milieubeleid juist goed voor bedrijfsleven

Het kabinet-Balkenende IV heeft het milieu tot een van zijn voornaamste doelstellingen geproclameerd. In het regeerakkoord staan vele groene beleidsvoornemens, met als meest ambitieuze de beperking van de uitstoot van broeikasgassen met bijna een derde. En de Europese regeringsleiders werden het eens over een vermindering van de CO2-uitstoot en over de invoering van biobrandstoffen.

Doelstellingen overeenkomen is één zaak, ze realiseren een andere. Vooral lobbygroepen kunnen de uitvoering van de plannen flink in de weg staan. Zo uitte het Europese bedrijfsleven al vóór de top van de regeringsleiders grote bezwaren tegen bindende normen voor hernieuwbare energie vanwege onzekerheid over de kosten.

Maar ook dichter bij huis heft het bedrijfsleven de waarschuwende vinger. Directeur Smits van het Havenbedrijf Rotterdam waarschuwt ervoor om niet te ver voor de troepen uit te lopen voor wat betreft het gebruik van walstroom. Anders, zo stelt hij, wijken schepen uit naar andere havens.

Hoe serieus moeten de waarschuwingen van het bedrijfsleven worden genomen? Vertrekken bedrijven inderdaad massaal naar oorden met milder milieubeleid als de EU en Nederland voor de troepen uit gaan lopen?

Op het eerste gezicht lijkt het verstandig om in de pas te lopen met je concurrenten – een scherp milieubeleid betekent extra kosten voor bedrijven, onder andere door investeringen in nieuwe productietechnieken. Concurrenten in een mildere omgeving hebben dan een concurrentievoordeel.

Maar uit onderzoek blijkt het nog wel mee te vallen met de exodus van bedrijven uit Nederland, zeker wanneer het om milieubeleid gaat (ESB, 2 juni 2005). Milieubeleid is maar een onderdeel van het totale vestigingsklimaat, naast geografische ligging, beschikbaarheid van personeel, taal, cultuur en politieke situatie.

Onderbelicht is gebleven dat een streng milieubeleid ook belangrijke positieve effecten kan hebben voor het bedrijfsleven. Als een land als eerste een strenge milieumaatregel invoert, krijgen de gevestigde bedrijven de kans daarop in te spelen met nieuwe. Wanneer andere landen tot actie overgaan, hebben de ‘first movers’ ervaring opgedaan, waardoor ze zich een gunstige positie kunnen verwerven op de nieuwe markten.

Dit geldt vooral als de ervaringen van de first movers als bron van inspiratie dienen bij de formulering van beleidsdoelstellingen buiten de eigen landsgrenzen. Zo zijn de EU-doelstellingen van biobrandstoffen in benzine en diesel geïnspireerd op Zweedse ervaringen. Ook Balkenende had waarschijnlijk een first mover advantage in het achterhoofd toen hij de aandacht vestigde op verwarmingsketels die behalve warmte ook elektriciteit leveren.

Betekent dit nu vrij baan voor minister Cramer? Zeker niet. Krappe tijdschema’s kunnen leiden tot kortetermijnoplossingen in plaats van optimale oplossingen voor de langere termijn.

De kunst is een evenwicht te vinden. Consultatie en overleg tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven zijn dan van groot belang. Heffingen op vervuiling verdienen de voorkeur boven emissienormen. De eerste maatregelen vormen een blijvende prikkel tot kostenreductie en innovatie, terwijl bij normen de prikkel tot innovatie verdwijnt, zodra aan de norm is voldaan. Een scherp milieubeleid in de juiste vorm gegoten biedt eerder kansen dan bedreigingen voor het bedrijfsleven.

Henk Folmer is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen en Wageningen Universiteit.