Marokkaanse prinsjes met groot ego en kort lontje

Fleur Jurgens, auteur van Het Marokkanendrama, stelt dat het Marokkaanse jongens ontbreekt aan toezicht en sturing. Dat is naïef, zeggen deskundigen.

Natuurlijk waren er gisteren nauwelijks Marokkanen. En al helemaal geen ontspoorde, overlastgevende Marokkaanse jongens of hun analfabete, nauwelijks Nederlands sprekende ouders. Het debat, naar aanleiding van het boek Het Marokkanendrama van freelance journaliste Fleur Jurgens, ging – zoals altijd – óver hen.

Wel puilde debatcentrum de Rode Hoed in Amsterdam gisteravond uit met witte, autochtone Nederlanders en een handvol Marokkanen. Tientallen mensen konden niet meer naar binnen. Het Marokkanenprobleem leeft.

Het Marokkanendrama gaat niet over alle Marokkaanse Nederlanders, maar over de relatief grote groep jongeren van Marokkaanse afkomst, voornamelijk jongens, die voor grote problemen zorgt. Zeven van de tien Marokkaanse jongens tussen de 17 en 23 jaar heeft geen bruikbaar schooldiploma – een zogeheten startkwalificatie – en zijn dus praktisch kansloos op de arbeidsmarkt. Ook scoren ze van alle etnische minderheden het hoogst in de criminaliteitsstatistieken. Ondanks de inspanningen van vele hulpverleners, honderden trajecten en hoge subsidiegelden om hen op het rechte pad te houden. Waarom ontsporen deze jongens zo vaak?

Omdat het de jongens volledig ontbreekt aan toezicht en sturing, zegt Fleur Jurgens. Ook zij sprak niet met de jongens en hun ouders zélf – ze kwam niet voorbij de voordeur, zegt ze. Haar conclusie heeft Jurgens gebaseerd op gesprekken met leraren, politieagenten, hulpverleners, opvoedkundigen, leerplichtambtenaren en maatschappelijk werkers. Niet alle deskundigen wilden er graag over praten. De helft haakte af. Ze vonden de invalshoek stigmatiserend.

Maar het ging gisteren om de Marokkaanse drop-outs. Jongens die van jongs af aan door hun moeders worden verwend en niet worden begrensd – in tegenstelling tot hun zusjes, die allerlei huishoudelijke taken moeten doen. Als de jongens acht à tien jaar oud zijn, gaan ze grotendeels op straat leven. Ook daar let niemand op hen.

Deze Marokkaanse ‘prinsjes’ hebben grote ego’s en korte lontjes, ze zijn gewend aan een snelle behoeftebevrediging. Maar de buitenwereld ziet hen eerder als losers. Volgens de professionals met wie Jurgens sprak, hebben Marokkanen de neiging hun eigen aandeel in de achterstelling te ontkennen. Ze voelen zich slachtoffers van racisme en een oneerlijke maatschappij. Een klimaat waarin radicalisering, haat en criminaliteit gemakkelijk kunnen groeien, stelt Jurgens.

De uitgenodigde deskundigen waren niet onverdeeld enthousiast over de analyse. Publicist Paul Scheffer vond het een belangwekkend boek, maar medisch directeur Joop de Jong van de GGD Amsterdam noemde het boek „moraliserend, denigrerend en naïef”.

Moraliserend, zei hij, omdat Jurgens stelt dat er altijd een uitweg uit de ellende is, als je de kansen die je krijgt maar pakt en als de ouders nu eindelijk eens de verantwoordelijkheid nemen voor hun kinderen.

Denigrerend, aldus De Jong, omdat het voorbijgaat aan historische processen waarbij een bepaalde groep wel vaker als zondebok wordt bestempeld, een beeld waarin wetenschappers en journalisten aanvankelijk vaak meegaan alvorens het wordt bijgesteld.

En naïef, omdat Jurgens ‘cultuur’ als verklarende factor voor problemen terzijde wil schuiven. Honderd jaar geleden hadden Nederlandse vrouwen de laagste arbeidsparticipatie in Europa, zegt De Jong. „Er is vanalles aan gedaan om dat te veranderen. En nu, honderd jaar later, werken Nederlandse vrouwen nog steeds het minst in Europa. Het is heel naïef om te denken dat Marokkanen zich in één generatie een totaal nieuwe psychologie kunnen aanmeten.”

Districtschef Amsterdam-West Peter Slort van de politie Amsterdam-Amstelland herkent het beeld dat Jurgens schetst, maar noemt het „erg eenzijdig”. Stel je voor, zegt hij, „dat er een boek verschijnt dat Het Nederlandersdrama heet en alleen gaat over de Tokkies-achtige probleemgezinnen”.

Het Marokkanendrama is geschreven vanuit het perspectief van de burger, zegt directeur Harry van Leeuwen van kinderpsychiatrisch centrum De Bascule. „Als burger herken ik het, als psychiater heb ik grote moeite met het begrip ‘dé Marokkanen’. In de aanpak van problemen maakt het nogal uit of ouders zwakbegaafd, meervoudig getraumatiseerd of depressief zijn.”

Het Marokkanendrama in Amsterdam bestaat, zei voorzitter Ahmed Marcouch van stadsdeel Amsterdam Slotervaart. „En we zijn er jarenlang helemaal verkeerd mee omgegaan. Waarom spreken we de ouders niet aan? Die zijn begaan met hun kinderen. We moeten af van hulpverleners die zich afvragen: moet ik een tolk meenemen, mijn schoenen uitdoen, mevrouw een hand geven, het kopje thee accepteren? We moeten de verantwoordelijkheid leggen waar die hoort: bij de ouders.”