Manager baalt van zijn eigen ‘Reds’

Eigenaren van Amerikaanse honkbalclubs verwensen hun belangrijkste bezit: de spelers. „We verliezen elke band met de achterban.”

Tom-Jan Meeus

Voor Philip Castellini is de overwinning zo zoet al niet meer. De ochtend na Opening Day zindert Cincinnati nog na. De lokale krant jubelt. De Reds zijn het honkbalseizoen begonnen met een overwinning, 5-1, op de Chicago Cubs.

Maar Castellini (37) – manager en zoon van de eigenaar – voelt niets voor een dromerige terugblik. Hij heeft de pest in. Het krijgt geen greep op spelers.

„Het klópt gewoon niet meer”, foetert hij. Niet één speler van de Reds woont nog in Cincinnati. „Ze hebben huizen in Florida of Texas om geen belasting te betalen.”

Het gevolg is dat een jonge fan in de stad nooit meer de magie meemaakt dat hij ’s avonds toevallig een ijsje koopt in dezelfde winkel als Adam Dunn, de homerunkoning van de club. „We verliezen elke band met de achterban.”

Telkens probeert hij zijn spelers te verleiden mee te gaan naar scholen, acties, sponsors. Na de overwinning van gisteren zag hij weer kansen. Maar helaas. „Hoe groter de naam van de speler, hoe moeilijk benaderbaar.”

Het spel zelf, gromt hij, wordt van binnen uitgehold. De spelersvakbond behield zijn macht in een land dat argwanend is tegenover bonden. De macht wordt nu dus te vuur en te zwaard verdedigd. De miljoenensalarissen die er het gevolg van zijn, hebben de spelers in vele ogen blasé gemaakt.

Dus nu bijna alle clubs het moeilijk hebben, vertelt Castellini, kunnen ze om hun problemen op te lossen geen beroep doen op hun belangrijkste kapitaal: de spelers. Intussen speelt vergeleken met twintig jaar geleden nog maar de helft van de kinderen honkbal. Massaal kiezen ze voor voetbal. Om jongeren terug te winnen verkoopt hij honkbal nu als entertainment. Net zoiets als de bioscoop, of samen gaan stappen – friday night feeling. Of het werkt? Hij hóópt het.

Ook Castellini’s medewerkers hebben onverholen weerzin tegen de spelers. Geen reputatie is veilig. Zelfs de beroemdste hitter die de Reds ooit voortbrachten, Pete Rose (66), een levende legende, wordt omschreven als een verwend nest. Rose bezorgde de club in de jaren zeventig tweemaal de World Series. Daarna liep hij tegen de lamp, hij gokte op wedstrijden waarin hij ook speelde.

De supporters vergaven het hem. Maar als Karen Forgus, voorlichter van Castellini, in het stadion de vaste stoel van Rose passeert, sneert ze dat ook hij allang niet meer in Cincinnati woont. „Onze Pete zit de hele week in ‘Vegas’. De mensen horen dit liever niet – maar hij is nooit van zijn gokverslaving afgekomen.”

Dit is de derde en laatste aflevering over het begin van de Amerikaanse honkbalcompetitie.