James Bond in Iran

Het is en blijft te betreuren dat er geen parlementair onderzoek komt naar de politieke steun van Nederland aan de oorlog in Irak. Ook in de huidige Tweede Kamer bestaat er geen meerderheid voor. Maar de winst van het debat dat de Kamer gisteren voerde over de besluitvorming inzake Irak, in het ‘oorlogsjaar’ 2003, is dat het kabinet zal uitleggen in welke gevallen Nederland steun geeft aan een mogelijk militair optreden tegen een land.

De Kamer richt de blik met recht op de toekomst. Er zijn brandhaarden te over in de wereld. Door de oplopende druk over het Iraanse atoomprogramma is bijvoorbeeld een inval of aanval niet denkbeeldig meer. Mocht het onverhoopt tot een militaire actie tegen dit land komen, dan is het van belang te weten wat het kabinet precies bedoelt met de in het regeerakkoord gebruikte frase dat „een adequaat volkenrechtelijk mandaat is vereist bij deelname aan missies met inzet van Nederlandse militairen”.

De besluitvorming over Irak is verleden tijd. Dat maakt de kwestie niet minder belangrijk. Niet alleen een flink deel van de oppositie in de Kamer maakt zich er druk over. Het ongenoegen is breder. Van (oud-)militairen tot betrokken burgers: de vragen over de legitimiteit van deze oorlog zijn legio. De coalitietroepen onder Amerikaanse leiding vielen Irak binnen zonder mandaat van de Verenigde Naties. De argumentatie om ten strijde te trekken was mager – zo niet ondeugdelijk. Voor Nederland was de Iraakse weigering VN-resoluties uit te voeren een reden om de oorlog politiek te steunen. Voor Amerika en Groot-Brittannië waren Iraks vermeende massavernietigingswapens de belangrijkste casus belli; een argument dat door premier Balkenende in een Kamerdebat vier jaar geleden werd overgenomen. Het vervolg is bekend: de wapens werden nooit gevonden. Uit vertrouwelijke documenten hier bleek dat de „sluitende juridische redenering” die de grondslag vormde voor de Nederlandse steun, niet door ambtelijke adviezen werd onderschreven. De vragen hierover verdienen een antwoord. Het gaat niet om een kleinigheid, maar om de halszaak van vrede of oorlog en om wat oud-premier Van Agt (CDA) onlangs heel juist „het muilkorven van het parlement” noemde.

Zoiets kan zomaar terugkomen. De Kamer is zich daarvan bewust. Met een PvdA die het door haar gewenste Irak-onderzoek bij de formatiebesprekingen uit handen gaf – en daarover begrijpelijke wrok koestert – zullen de grenzen van het regeerakkoord in dezen de komende tijd worden verkend. Dat begon gisteren al met de verrassende ondertekening door de sociaal-democraten van een motie van GroenLinks over Iran, waarin de regering wordt verzocht „uit te sluiten dat Nederland politiek of anderszins steun verleent aan een eventuele aanval op Iran zonder adequaat volkenrechtelijk mandaat”.

De minister van Buitenlandse Zaken, Verhagen (CDA), wenste zijn handen niet te binden met zo’n uitsluiting. Daarin heeft hij gelijk. Een volkenrechtelijk mandaat is gewenst maar niet zaligmakend (zie Kosovo). Verhagen wilde niet speculeren over Iran en vond dat over dit land een „een compleet James Bond-scenario” werd geschetst. Een ongelukkige uitlating: de arrestatie door Iran van vijftien Britse militairen past juist wél in zo’n scenario. Ze zijn vandaag vrijgelaten, maar dit incident had makkelijk uit de hand kunnen lopen, met vergeldingsacties of erger. Juist daarom is het goed dat het kabinet helderheid verschaft over steun aan militaire acties tegen landen, en het mandaat dat daarvoor nodig is.